Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

12

Saleh van Pangsor, die aan de verspreiding der brieven debet scheen, in verzekerde 'bewaring te nemen. Tegelijkertijd zond hij bericht aan den resident van Tjërbon,'om, zoo noodig, ook Kjai Hasan te doen arresteeren. Deze gaf hieraan onmiddellijk gevolg.

Toen bericht hiervan te Batavia aankwam, kon men zich begrijpelijkerwijs niet verklaren, waarom van dit beroerinkje zóóveel werk gemaakt werd, dat het wonder gewichtig scheen.

Men schreef dan ook den resident in dezen geest aan, en verzocht hem nog nader van rapport te dienen, onder mededeeling van de gemaakte opmerking, dat noch de brief van den regent van Tjiandjoer, noch de getrouwe vertaling van een dier serat oendangoendang de aanvankelijke veronderstelling, dat dit stuk van geen verontrustenden aard was, had kunnen schokken. Het onderzoek van den resident te Scemedang had niet veel resultaat. De resident had eerst gemeend, dat Hasan Maulani de brieven aan Mohammad Saleh te Pangsor had doen toekomen ter verspreiding, daar deze, die een godsdienstschool voor regentenzonen had, daarvoor in een uitnemend centrum zat. Bij het onderzoek'bleek de juistheid van deze meening niet overtuigend. Mohammad Saleh beweerde de voorschriften voor deze heilmalen het eerst te Tasikmalaja ontvangen te hebben van den districtspanghoelóe aldaar, en ze dadelijk bij zijn thuiskomst te iebben opgevolgd uit vrees van getjapt te zullen worden. De bevolking der omliggende kampongs had zijn voorbeeld gevolgd. Hij had echter met Hadji Abdoelrahman, kalipah van den hoofdpanghoeloe van Soemëdang, erover gesproken, en deze had zich aan het plichtsverzuim schuldig gemaakt noch aan den regent noch aan den hoofdpanghoeloe van dit gesprek kennis te geven. De resident bleef echter bij zijn aanvankelijke meening, dat het verspreiden van de brieven door den gearresteerden Mohammad Saleh zelf in overleg met Kjai Hasan geschied was.

Te Batavia kon men zich het gewicht dezer zaak nog steeds niet goed voorstellen. Daarvan geeft het volgende schrijven blijk.

Na zich verontschuldigd te hebben over de slechte vertaling van den opgezonden lastbrief, waarop men te Batavia gewezen had — 'de resident der Preanger-regentschappen kende geen Soendaneesch, en kon dus de vertaling van den brief „daar dezelve in de Sundasche taal ofschoon met Arabische letters geschreven was" niet beoordeelen, en had die opgedragen aan den inlandschen schrijver van zijn kantoor en den hoofdpanghoeloe — verklaarde

Sluiten