Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

23

Gcenoengdjati op den heuvel van dien naam ligt,') met het graf Astana djamboe in de nabijheid. Daarom meet op de vergadering der wali's hij blijken geven de voornaamste te zijn.

Een achterkleinzoon van Djamboe Karang was Makdoem Wali Pêrkosa, naar beweerd wordt, het eerste perdikan-hoofd van deze streek. In 1887, en wellicht ook thans nog, bezaten de hoofden dezer desa's een geschreven verhaal, waarin werd medegedeeld waarom aan dezen Makdoem Wali Perkosa de vrijheerlijke rechten waren verleend. Hij zou n.1. den Soeltan van Démak, Raden Patah, een grooten dienst hebben bewezen door het verplaatsen van het front van de moskee aldaar.2) De mibrab wees niet de juiste richting aan, zoodat het gëheele gebouw een weinig verschoven meest worden. De Sceltan van Dëmak riep de wali's bijeen om te beraadslagen hoe dit geschieden kon. Wali Perkosa sprak de vereischte gebeden uit, en alle wali's vielen in bij amïn, en trachtten daarbij het gebouw te verschuiven. Het gelukte hun niet. Daarop verwisselde men de rollen; de wali's spraken de gebeden en Wali Perkosa viel in bij amin, en verschoof de masdjid, zoodat de mihrab waarlijk naar Mekka kwam te wijzen.3) Volgens andere verhalen zette hij echter een scheef gezakten pilaar weer recht of wel, hij sneed figuren uit op de pilaren, en wanden, zooals Soenan Kalidjaga ze hem had opgegeven. Als belooning zou Wali Perkosa een vrijheerlijk gebied in Tjahjana ontvangen hebben, met de verplichting, voor het graf van zijn overgrootvader behoorlijk zorg te dragen. Het graf van Wali Perkosa ligt in de desa Pakiringan lama, en onderscheidt zich in niets van de overige heilige graven in dit district. Men vindt hier n.1. behalve de graven van Sech Djambce Karang en Wali perkosa ook die van Pangeran Kajoe Poering, van Pangeran Makdoem Tjahjana, van Hadji Datoek, en van Hadji Estri.

De overlevering plaatst dus het begin van de uitzonderlijke positie van dit district in de allereerste tijden van den Islam op Java. Men beroept zich voor de juistheid van dit-verhaal op den investituurbrief van den Sceltan van Dëmak, waarvan men afschriften overlegt, en ook op dien van den Soeltan van Padjang,. die het besluit bekrachtigde. Het is niet onmogelijk dat zulke

1) Buddingh, Neêrlands-Oost-Indië I, bl. 138.

2) Fokkens 1. c, bl. 508; Hasselman, 1. c., bl. 82, 83.

3) In de Babad Tjërbon zorgt. Soenan Kalidjaga ervoor, dat de mihrab in de juiste richting komt te wijzen (Zang XXIV, str. 6 en volg.).

Sluiten