Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

28

met Malangjoeda in aanraking gekomen, en onder diens invloed geraakt. Waar Malangjoeda nul op 't request gekregen had, werd hij nu naar voren geschoven als rechthebbende. Zijn verzoek werd opgezonden naar Banjoemas, ter kennisname; de resident oordeelde het echter nocdig, nogmaals een onderzoek in te stellen. Met behulp van den ass.-res, van Brebës verkreeg hij voldoende inlichtingen over de persoon van Soemaredja; hij droeg tevens den regent van Poerbalingga op, in het district zelf te onderzoeken of de beweging daar gesteund werd, en welken omvang zij had aangenomen. Naar aanleiding van de voorloopige inlichtingen uit Brebës werd er gelast nauwlettend toezicht op adressant te houden, en den ass.-demang van Buitenzorg ernstig te doen terechtwijzen over zijn inmenging in de ongegronde reclames van adressant. Op het request zelf werd niet beschikt.

Het onderzoek van den regent bracht echter nog het een en ander meer aan het licht. Het trok de aandacht, dat Malangjoeda, van Buitenzorg uit, briefwisseling hield met een zekeren Amir Anom, die in de desa Karang pëtir (Poerbalingga)woonde. Deze brieven werden aangeteekend,. en dan door of van wege den geadresseerde te Banjoemas of te Poerbalingga afgehaald. Enkele dezer brieven werden den regent in handen gespeeld. Het bleek dat Amir Anom de badal, plaatsvervanger, van Malangjoeda was, wanneer deïe zich te Buitenzorg ophield.

Malangjoeda had het n.1. bij een request alleen niet gelaten. Hij was dadelijk bij zijn terugkomst uit Soerabaja begonnen met zich onder de bevolking der përdikan-desa's aanhang te verwerven door als goeroe op te treden. Dit ging blijkbaar heel gemakkelijk. In de getuigenverhooren keert stereotyp de uitdrukking terug: „Ik hoorde, dat er een zekere Malangjoeda als goeroe optrad, en ging toen bij hem in de leer." Of ook: „Amir Anom vroeg mij, of ik al bij een goeroe geleerd had". Ik antwoordde: „Neen, nog niet", waarop hij mij zeide bij Malangjoeda in de leer te gaan," e.d.

Voor men in Malangjoeda's genootschap werd ingewijd, moest men eerst eenige oefeningen hebben volbracht. Naar het schijnt, motiveerde Malangjoeda deze met de onkunde der adepten in het Arabisch schrift.

Zij bestonden uit drie dagen en drie nachten nïati gèni, niet eten of drinken; een andere getuige spreekt echter van drie maanden en drie dagen vasten, waarvan drie etmalen mati gèni. Had men deze observanties voleindigd, dan moest men

Sluiten