Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

39

3. Kjai Noerhaldm van Pasirwetan.

Het zielig naspel der Malangjoeda-affaire, dat wij zoo straks memoreerden, eindigde in Juni 1888, de maand voorafgaande aan die der „Tjilëgonsche gnrwelen". Onder den verschen indruk dier gebeurtenissen werd men alom achterdochtig en wantrouwend jegens al wat maar' eenigszins met Mohammedaansche vroomheid in verband stond. Allerlei absurde voorstellen tot fnuiking van den Mohammedaanschen invloed werden gedaan, waar men in ieder, die de uitoefening zijner godsdienstplichten niet al te laks opvatte, een fanaticus zag, van wien het ergste te verwachten viel. ) Vooral de hadjis moesten het ontgelden; zij, „in Banten talrijker dan in eenig ander deel van Java, stonden voortdurend aan ernstige molestatie door hen ontmoetende soldaten bloot, ook al behoorden zij tot de gehoorzaamste werktuigen van het gezag. Niet alleen in Banten kwam destijds zulk een anti-hadjifanatisme aan den dag; het werd epidemisch onder de lagere militairen" ). Allerwegen was de aandacht bij de Mohammedaansche secten en hunne leeraars, omtrent wie onder Europeanen de voorstellingen nu niet altijd door juistheid of geloofwaardigheid uitmuntten. Onkundig en slecht-geinformeerd-zijn deden in heel gewone practijken, die tot nu toe der aandacht niet waard gekeurd waren, uiterst belangrijke anti-gezagsbewegingen zien, en de geneigdheid overal vertakkingen te zoeken speelde menigeen parten. Ook van bestuurszijde was de aandacht verscherpt, en zoo gaf „de ongêwone wijze, waarop korten tijd na* den gruwelmoord in Bantam, eenige in de residentie Banjoemas aanwezige

Mahomedaansche secten hare devoties uitoefenden, den

Besident van Banjoemas aanleiding de in deze residentie bescheiden assistent-residenten te verzoeken hunne aandacht op de handelingen dier secten te vestigen. . . .", terwijl tevens een onderzoek werd ingesteld naar hare leer en uitgebreidheid.

De resultaten van dit onderzoek zijn vastgelegd in een rapport, dat, hoewel het spoedig gereed moest zijn, terwijl ook het onderzoek geen opzien baren of aanstoot geven mocht, toch enkele waardevolle gegevens bevat over de toen ter tijd in Banjoemas

1) Brieven van een wedono-pensioen (1891—1892) in Dr. C. Snouck Hurgronje V.G. I, bl. 189, 190, 195—198.

2) Dr. C. Snouck Hurgronje V.G. IV, II, bl. 425.

Sluiten