Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

41

Moestapa. Hij huwde met een zuster van het desahoofd, en begon nu ook zelf met onderricht in den godsdienst te geven. Zijn naam veranderde hij toen weer ih Noerhakim.

Tot 1862 werd er nog niets omtrent hem vernomen bij het bestuur. In dat jaar gaf hij echter een besnijdenisfeest voor zijn zoon, waar zoovele personen uit andere streken hem hulde kwamen bieden, dat de regent van Poerwakerta dit officieel aan den resident rapporteerde, met het gevolg, dat aan Noerhakim „in het belang van de openbare rust en orde" de pëkaoeman ter afdeelingshoofdpïaats Poerwakerta als verblijfplaats werd aangewezen. Daar woonde hij, tot in 1866 het bestuur te Këboemen verzocht zijn persoon te doen overkomen daar hij zich aldaar schuldig gemaakt had aan misleiding van eenige zijner leerlingen. De landraad te Këboemen veroordeelde hem tot vier jaren dwangarbeid buiten den ketting, en verbande hem daarvoor naar Banjoewangi.

Dit gedwongen verblijf in Java's Oosthoek maakte hij zich blijkbaar ten nutte om ook daar als goeroe op te treden; hij had er althans eenige aanhangers, waaronder enkele badals, die nieuwe leerlingen wierven. Voor zijn straftijd om was verkreeg hij remissie, en keerde toen naar zijn oude woonplaats terug. Wat de reden was voor die verzachting van straf vonden wij niet vermeld. Sedert dat oOgenblik echter schijnt de ratoe-adilprediking deel van zijn onderwijs te hebben uitgemaakt; reden om-tegen hem op te treden kon evenwel niet gevonden worden, al werd in 1871 het voorstel gedaan hem met enkele zijner aanhangers te verbannen. Wat daartoe aanleiding gaf, konden wij niet nagaan. Het eenige bericht, dat wij vonden, luidt: In 1870—1871 had Kjai Noer Hakim in de residentie Banjoemas zich een aanhang weten te verwerven met het doel een Sultanaat te stichten, en het Nederlandsch gezag omver te werpen. „Van zijn toeleg was het Bestuur niets bekend en het is alleen aan de inlandsche christenen te danken, dat deze oproerige beweging in de geboorte werd gesmoord". )

Deze mededeeling zal wel overdreven zijn. Was er werkelijk iets van ernstigen aard gebeurd, dan zou men Noerhakim wel niet ongemoeid gelaten hebben. Nu werd er alleen aanleiding

1) N.D. Schuurmans in Nederlandsch Zendj.ngstydschrift III (1891), bl. 182. De herkomst van de laatste mededeeling, een citaat • zonder opgave van bron, konden wij niet traceeren.

Sluiten