Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

48

pink zoo groot, en kan men er alle mogelijke sluitingen mee openbreken.*)

Wanneer men weet dat in Ledok alleen Teeds 34 stuks ervan in beslag genomen werden, kan men nagaan boe (groote waarde eraan gehecbt moet zijn, gezien de lang niet malsche prijs.

Het onderzoek in Banjoemas leverde in hoofdzaak dezelfde gegevens, de getallen verschillen wat. Om te beginnen droeg men den badal in zijn buurt ƒ 1.50 af, waarvan deze ƒ 0.50 voor zich hield. Om dit geld werd niet gevraagd; men wist dat het er zoo bij hoorde en bracht het dus uit zich zelf ai mee. Na een maand moetïh kwam men terug met 6 a 8 kati rijst per persoon, en een geit. Bij de inwijdingsplechtigheid moest men in iedere hand volgens deze opgave ƒ 1.— hebben, en na afloop ervan ging men terug naar Noerhakims huis, en at daar gezamenlijk de rasoelan der meegebrachte spijzen. Den volgenden morgen kreeg men van den hoofdbadal een primbon tegen betaling «van ƒ 3.—.

Volgens het Tapport uit Banjoemas mochten de badals ook zelf in de orde opnemen wanneer zij te ver weg woonden om telkens naar Ncerhakim toe te komen. Het aantal der nieuw-ingelijfden meest echter geregeld gemeld worden, alsmede hun woonplaats, naam, wat zij inbrachten en wat er opgegeten werd bij de slamêtans. Ncerhakim wilde blijkbaar tot in de finesses van het doen en laten zijner badals op de hoogte zijn. De rest van de gaven was voor den badal; deze ontving ook de pitrah en de djakat van degenen die door hem waren gewonnen. Ook dit werd niet voor ieder apart bepaald, maar was een stilzwijgend aanvaarde .gewoonte. Een derde daarvan werd voor Noerhakim gereserveerd. Dit heette een door de badals zelf ingestelde maatregel. Dezen gaven voor hun gezin weer djakat en pitrah aan Noerhakim, en ook de moerids uit de desa's waar geen badal was kwamen aan het einde van de poeasa naar hun leeraar met geschenken in rijst en geld.

Ook een aantal verbodsbepalingen, die onder de aanhangers van Noerhakim zouden gelden, worden opgesomd. Zij zouden geen pakis eten (een soort varen, waarvan de topbladeren als groente werden genuttigd) en geen loemboe (het breede blad van een waterplant). Verder zou het verboden zijn over een koetouw of

1) M.N.Z.G. XXXII (1888), bl. 354. (Aldus de in het Jav. HWdbk. s. v. wësi opgegeven plaats te verbeteren).

Sluiten