Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

95

voeten van mijn bestaan; Zijne boeken, d.w.z. het schrift van mijn beslaan; en dat de goede beschikkingen, d.w.z. het indachtig zijn aan mijn wezen, en de kwade d.w.z. het niet-indachtig zijn aan mijn wezen; van Allah komen. Juist de dubbelzinnige term ingsoen, die zoowel ik, de zelfbewuste mensch, als Ik, de a'ldoordringende realiteit, beteekent, suggereert, naar Kraemer reeds opmerkte, in redsneeringen als deze de grondgedachte van deze pantheïstische leer. *■)

b. De salat.

Het schijnt wel of de salat zich over haar achteruitzetting in het dagelijksch leven wreekt door in de godsdienstige litteratuur een bijzonder groote plaats voor zich op te eischen. Uiteenzettingen van de diepere beteekenis van de salat liggen in de primbons voor het grijpen. Heel veel verschillen doen zij in den regel niet.

De stichtelijke lectuur, die vele soeloeks bidden, beveelt getrouw sembahjangen steeds weer opnieuw aan. Zoo het uit de directe waarneming dus al niet bekend was, zou hieruit reeds èen conclusie te trekken zijn. Want men rekent wel den tijd naar het slaan cp de Ledoogs, maar geeft aan dien oproep heel zelden gehoor. Alleen in de pesantrens beheerschte het vijftal salats de indeeling der dagehjksche werkzaamheden, en leerde men dus getrouw den salatplicht vervullen. Dat was wel het minimumpractijk van den godsdienst, dat men er op deed.2) In het gewone leven vond wie naar buiten blijk wilde geven het met den godsdienst ernstiger te nemen dan de groote schare, als eerste middel daartoe getrouwe salatverrichting. De groote massa evenwel zou in dezen van zich moeten laten zeggen, dat zij bangga was en de geloofsbelijdenis „slachtte en vernielde".3) Het is niet zonder beteekenis, dat bij de opsomming der vier of vijf steeds hoogere salats niet de gewone salat onderaan staat, maar de salat djoemiah, terwijl de gewone salat niet eens wordt genoemd. Evenzoo wordt in de geschiedenis van Lemah Abang in het nalaten van de dagelijksche salat geen getuigenis tegen den heilige gezien; het verzuim van den Vrijdagsdienst wordt hier gebruikt om den aanval te openen.

1) Kraemer o. c. bl. 82 en volg.

2) Dr. C. Snouck Hurgronje V. G. IV I, bl. 158.

3) anambëleh angroesak kalimah kalih (Wawatjan soeloek daka bl. 16.)

Sluiten