Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

100

Andere uitspraken komen uit ascetisch-mystieken kring; weer andere stellen salat en het in zich voelen kloppen van het goddelijk Alleven gelijk.

Abu Bakr zeide: „De salat is het aflaten van het vleesch." l)

''Ali zeide:.„De salat is het aflaten van al wat niet Allah is; slechts de arme om Gods wil bereikt dit." s).

In dit verband past ook dé uitspraak van den profeet: Tarku 'Idunjd ra's kuil cibddah wahubbu 'Idunjd ra's Jcull chaVfah. Dat ook langs dezen weg het zien van God te bereiken valt, wordt ter toelichting van een andere uitspraak van 'Umar b. alGhattab er uitdrukkelijk bij gezegd. Deze kon zeggen: „Mijn hart zag mijn Heer", daar zijn hart gereinigd was door zijn dikr, 'ibadah en talah, en God zich hem onthulde, daar hij het gebod Gods, Hem nederig in 't geheim aan te roepen (Koran 7 : 204) had opgevolgd.

In den trant van 1 Ali's uitspraak wordt Koran 8 ; 23: „Gedenk uw Heer wanneer gij vergeten hebt", aangevuld met: wat niet Allah is. Sjeich Nadjmu 'ldin alKubra zeide: „De salat bestaat uit vier zaken, met hare volmaaktheid als vijfde, te weten abluti?, nijah, zuivere toewijding, en gnosis. Deze laatste bestaat hierin dat Allah zichzelf prijst met de tong van zijn dienaar. Immers de salat is niet ter oorzake van het geschapene,-maar komt neer op wat enkele mystici gezegd hebben: „Ten tijde dat de dienaar Heer is, is 'er zender twijfel geen dienaar dan de Heer, d.w.z. wanneer de dienaar in God opgaat, ziet hij noch zijn eigen bestaan noch dat zijns Heeren."

Het bijeenbrengen van deze uitspraken is volstrekt niet alleen geschied naar het uiterlijke gezichtspunt dat ze alle iets over de salat zeggen. Want hoe wij ook trachten deze uitspraken ontledend te classificeeren, in de kawoela-goestiwetenschap hooren ze alle thuis. Het zou onjavaansch zijn in bespiegeling alleen den weg tot het hoogste heil te zoeken. Waar tjégah toeroe, tjègah mangan

1) In overeenstemming met het traditioneele karakter van Abu Bakr, ook in de Jav. litt., zie b.v. Adji Saka, M.N.Z.G. XIII, bl. 176.

In de (Christ.) Syrische mystieke litt. wordt een dergelijke uitspraak van Isaac van Nineveh overgeleverd. Zie: A. J. Wensinck, Bar Hebraeus's Book of the Dove, bl. XXXIII.

2) Bekend is ook de spreuk van'Ali: md ra'aitu sjai'ah Md ra'aitu Alldh fihi. Kasjf almahdjüb, bl. 254 wordt deze uitspraak aan Mohammad Wasi toegeschreven. In Jav. hss. coll. Snouck Hurgronje No. 77 worden van den profeet - en van zijn vier opvolgers allen zulke uitspraken opgesomd. De profeet zou gezegd hebben: man nazara sjai'an walam jara Allah fihi fahuwa batil; Abu Bakr: ma ra'aitu sjai'an illa ra'aitu Allah qablahu; Umar, id. met vervanging van qablahu door ba'dahu; Uthman. id. met ma'ahu.

Sluiten