Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

106

troon Gods. De qiblah der cdrifïn echter is de Heer, die in het hart gezien wordt.*) Zelfs een didactisch werkje als de Woelang Reh weet mede te deelen, dat de ware moskee van Mekka ons omgeeft, de ka'bah is in het midden van haar, opgehangen zonder haak . ...2) De ruimte van dat ware Mekka is onbepaald. Ziet daar het salatgebed der wali's, die de ka'bah, den tempel Gods, kenden. Aldaar heeft volkomen vereeniging van den bidder met God plaats." s)

Dan is er de takbirat ulïhram, die de voor de salat vereischte ritueele wijding geeft. Zij geschiedt met de tong, dan verdwijnen gehoor, reuk, spraak en gezicht; met het lichaam, dan vallen eigen wezen, eigenschappen, namen eh werken weg; met het binnenste, dan houdt alle gewaarwording van vorm, kleur, geur en smaak op. Is de zintuigebjke waarneming en haar drager uitgeschakeld, dan is men aan de onvolmaaktheid ontheven, en is meester van het absolute, waar geen heer of dienaar meer is. Zoo kan de takbirat ulïhram met drie namen worden genoemd, zee des levens, onschatbare werkelijkheid, en in zich zelf verborgen kracht.

Door het uitspreken van Allah akbar ter inleiding van de salat komt de mysticus dus, zoo de portee dezer woorden met zijn geheele wezen in hare consequenties wordt beseft, in den staat der ekstase. Dat het uitspreken van deze woorden mystieken tot de hoogste emotie kon ontroeren, wordt ook door Hudjwïri *) medegedeeld „Iemand verhaalde: „Ik deed salat achter Dzü-INün — Gods genade zij over hem. — Toen hij den inleidenden takbir sprak, en Alldhu akbar zeide, viel hij in zwijm, als een lichaam waar geen leven meer in was." )

In hunne beschouwingen van de salat en al wat daarmee annex is, vliegen onze kjai's gewoonlijk zoo hoog niet. De gewone salat biedt al geheimenissen genoeg. Daar is om te beginnen de nijah, die woord voor woord, het woord oesalli zelfs letter voor letter, wordt ontleed. B.v. de rechte stand van de alip, is het staan(zijn)

1) Op gezag van alSjiblï, hs. 137, bl. 240.

2) Hs. coll. Hazeu, No. 147a, XII, No. 15 heet het hart de masdjid zonder haak. Dit gumantung tanpa tjantelan is al een oude uitdrukking voor dingen, die op en uit zichzelf bestaan, zie b.v. v. d. T. III, bl. 590 s. v. wilayut.

3) M.N.Z.G. XIII, bl. 224; cf R. A. Nicholson, The Mystics of Islam, bl. 87.

4) Kasjf bl. 229.

5) Over Dzü-INün alMi'jri, zie Kasjf bl. 72—74, Massignon, Essai sur les origines du lexique technique de la mystique musulmane bl. 184—191.

Sluiten