Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

109

evenmin zeggen dat God de ntjah doet als dat hij die zelf doet. Het eene is kadjabarijah, het andere kadarijah. Hier zijn beide woorden dus nog in hun oorspronkelijke beteekenis gebruikt, en wordt de orthodoxe middenweg tusschen beide bewandeld. Het geheele onderricht, waaraan dit ontleend is, ademt trouwens een bezadigden geest, het staat in het gewone godsdienstige leven en acht de aangelegenheden daarvan 'belangrijk genoeg, maar als alle Javaansche diepere religieusiteit moet het, hoezeer het ook meent binnen de orthodoxe perken te blijven, bij de kawoela-goesti-mystiek uitkomen. Javaansche orthodoxie is nu eenmaal iets anders dan gewocn-Mcslimsche rechtzinnigheid.

Hoe bij dezelfde bewoordingen verschil van accent de geestelijke situatie bepaalt, leert de aan de salat vastgeknoopte leering van een primbon uit Manondjaja. 1) Als zoo vaak is het uitgangspunt de spreuk: Wie zichzelf kent, kent zijn Heer, wie zijn Heer kent, kent zichzelf niet. Het zien van God achter alle dingen, ook achter het eigen zien van God, wordt dan geïllustreerd met de woorden van den profeet: Ik zie mijn Heer door mijn Heer; zoo ik Hem door Hem niet zag, zou ik Hem niet zien, want de eigenschappen des dienaars leven uit de eigenschappen des Heeren (eig. bewegen door de eig. des Heeren); zonder Gods toelating kan hij zich niet roeren of bewegen ). In deze woorden op. zichzelf ligt niet het extreem pantheïsme dat er door gepredikt wordt geacht,wel in de conclusies die eruit getrokken worden: Wie dus God kennen wil, verheldere zijn inzicht in zichzelf. Dan wordt zijn zijn één met dat van zijn Heer, zijn wezen is Gods wezen, zijn. werk is Gods werk, zijn blik ziet God alleen. Dat is de eeuwigdurende salat. Wanneer de mensch in du salat dus zegt: lilldhi ta'~dla, wordt dat gezegd door het noodwendig bestaande wezen; zegt hij: Alldhu akbar, dan ervare hij dat de dienaar geen eigen wezen heeft, en dat Allah den takbir zegt, anders is zijn salat niet volmaakt en is hij een ketter. Immers Allah heeft gezegd: Zeg: Allah

1) BI. 13 en volg.

2) Bij Schrieke, Het boek van Bonang, bl. 129, wordt het eerste gedeelte van deze uitspraak aan Abu Bakr toegeschreven; Kasjf, bl. 201 een dergelijke spreuk aan 'Ali. Elders wordt ze aan alMissri toegeschreven, zie Massignon, alHallaj II, bl. 887, noot 4: (Te zeggen: ik ken Hei'idoor Hemzelf is)" énoncer un jugement indéterminé, qui ne conclut pas; comme Misri disant: „Je connais mon Seigneur par mon Seigneur" (ap. Manar t. XIX 698). D'oü Vidoldtrie ésoterique et initiaiique du dissyllabe Howa (Lui!) dont s'enivrent les derviches: expressément condarnnèe par Halldj comme une duperie verbale.

Sluiten