Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hem blijkbaar niet; hij geeft zijn reeksen van synonymen, zijn systematische ordeningen van allerlei mystieke grootheden, zijn verdeelingen van alle mogelijke zaken en functies, waar het verband dit in zijn oog noodig of mógelijk maakt. Zoo duurt het dikwijls eenigen tijd voor de volgende graad aan de beurt van bespreking is. Tot meer dan een schematische weergave van den doorloopen ontwikkelingsgang komt het niet; het bij overlevering bekende wordt weer verder overgeleverd. Vooral de eerste en de zesde graad hebben veel aandacht gevonden, wat zich laat verklaren uit de situatie. Onder den zesden graad kan men al zijn wereldkennis, en vooral kennis van den mensch, zoowel naar de geestelijke als naar de stoffelijke zijde van zijn bestaan, te berde bi 'engen, en onder den eersten graad alle namen van de absolute eenheid onder alle aspecten van waaruit men deze kan bezien.

Besef van de groote tegenstelling eenheid-veelheid is er in voldoende mate. Dit blijkt ook bij de „val in de materie", die zich met den overgang tot den vierden graad voordoet. In wat gewijzigden vcrm wordt dan wederom de tegenstelling van betrekkelijke eenheid en steeds verder voortschrijdende differentiatie naar voren gebracht.

Uit belangstelling voor de tegenstelling eenheid-veelheid laat zich ook het volgende gedeelte van ons handschrift verklaren. Dit bevat een zeer uitgesponnen en naar evenredigheid onduidelijke verhandeling over de ontwikkeling van het ééne levensprincipe, dat zich. in al verder voortgaande ontwikkeling, de gansche lichamelijke en geestelijke organisatie des menschen èn den makrokosmos schept. De mensch immers is het geheimzinnige, machtige wezen, waarin de geheele ontwikkeling van den kosmos haar keerpunt vindt; hij vat alle verscheidenheid tezamen, niet alleen doordat hij in zichzelf slechts het ééne Ik ziet, maar ook omdat zijn lichaam de samenvatting is van den geheelen kosmos, daar de makrokosmos er voor elk zijner onderdeelen een pendant heeft. De zoo geliefde verklaringen van de spreuk: Wie zichzelf kent, kent zijn Heer, de uitvoerige uiteenzettingen van de wording des menschen, de bangsa tiga welas, en al wat daaraan wordt vastgeknoopt, het vloeit alles uit dezelfde belangstelling voort.

Als overgang tusschen de uiteenzetting der zevengradenleer en het gedeelte dat zooeven ter sprake kwam, bevat het handschrift een verhaal over den engel Izra' il, die bevel krijgt in de groene zee Gods onder te duiken. Dit verhaal is bedoeld als een inleiding op een aan God in den mond gelegde verklaring van het wezen van

8

Sluiten