Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

117

De rüh, de qalam en de taql zijn in de Moslimsehe theosophie, ook bij alDjïli,') reeds als cibdrah can djawhar fard, maar in verschillende betrekkingen, geharmoniseerd als het eerst geschapene. Hier is nog de nür (Mühammad), die 't eerstgeschapene is en de samenvatting der volgende graden van differentiatie, aan toegevoegd, zooals ook ih Maleische werken, waar de met gegevens uit den Koran opgebouwde kosmogonie in nauw verband met die van mystieken en philosophischen oorsprong wordt gereproduceerd. Al deze dingen, waarin mensch en schepping implicite besloten zijn, zijn goddelijke zelfverwerkelijkingen, en dus in wezen goddelijk; het goddelijk zijn komt erin tot zelfkennis.

Iman, tawhïd, ma,1 rifah en islam duiden verhoudingen van den mensch tot God aan; het einde daarbij is, dat de mensch wordt vergoddelijkt. Islam wil dan niet zeggen: moslim zijn, maar bedoelt het laatst bereikbare stadium van inzicht in zichzelf, dat van den insdn kdmïl, die in wezen God is.

Onder ahadijat zonder meer wil de auteur hier verstaan de eenheid in het stoffelijke, die de vier elementen omvat. Ahadijat k a s r a h als het wezen van den geest van Mohammad, omvat de geestelijke componenten van den mensch, zijn denk- én voorstellingsvermogen, rede, en diepste wezen.

Naar welke zijde van zijn bestaan men den mensch dus ook beschouwt, een bepaald aspect van de eenheid, dat uit een anderen naam blijken moet, omvat de samenstellende factoren. Wellicht zijn dus met roh, kalam, c akal; en noer ook menschelijke vermogens aangeduid. De soms voorkomende, spelling van kalam (eig. qalam) als kalam wijst daar wel op. Bij de behandeling van den Ldlum alarwdh wordt trouwens ook kalam uit ditzelfde drietal vertaald met „het niet voor stomheid vatbare spreken".

Nu wordt met een énkele zinsnede de relatiegeest,' die de volstrekte eenheid met de intelligibele eenheid van al het bestaande verbindt, behandeld. Hij zetelt in het meest vergeestelijkte hart, atipoead (=Arab. fu'dd),4) en manifesteert zich in de „helderheid

1) nllnsdn alkdmil I, bl. 91 (hoofdstuk 47; Over den verheven pen): awwal ma chalaqa Allah alqalam walqalam huwa al'aql alawwal

wahuma wadjhan lilrüh almuhammadi ,. fasAra alqalam

ala'la wal'aql alawwal wal'rüh almuhammadi libarah 'an djawhar fard wahuwa binisbatihi ila alchalq jusamma alqalam ala'la wabinisbatihi ila mutlaq alchalq jusamma al'aql alawwal wabi'idafatihi ila alinsan alkamil, jusamma rüh Mühammad.

2) Vgl. Rinkes, Abdoerraoef van Singkel bl. 78. Ati poead staat in de hier geraadpleegde hss. steeds nog boven de daar vermelde drie. Jav. hss. coll. Snouck Hurgronje no. 147, geeft twaalf mardtib des

Sluiten