Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

120

wereld van het goddelijke als djawhar awwal, in zich bergend alle mogelijkheden. Daarbij is aan het einde der afdalende reeks wezen, eigenschappen, werken, namen, woedjoed, in het beslaande toch het wezen der goddelijke realiteit nog aanw.zig, immers de profeet heeft gezegd: d'jami' alasjja' fi wudjüdi, walwudjüd .sürat albaqq. Daar in de Javaansche vertaling van deze uitspraak de 'i van wudjüdi verwaarloosd is, heeft men er blijkbaar in gelezen: Alle dingen hebben woedjoed, woedjoed is de vorm, waarin de realiteit zich openbaart. In het tweeledig gebruik van het woord woedjoed, zoowel voor het goddelijk zijn als voor al wat bestaat, móet dan de pointe van deze uitspraak liggen. Zoo ook in het volgende: Woedjoed openbaart zich in de eigenschap leven, maar is verborgen in het reine zijn; tegenover de realiteit van het goddelijk wezen echter verdwijnt woedjoed.

Naar aanleiding hiervan wordt uitgeweid over: Hij is de uitwendige en de inwendige, het begin en het einde, en over ontkenning en bevestiging .als beide ware benamingen voor het noodwendig bestaande wezen.

Ook de c dlam alarwah wordt genoemd schuilplaats van het wezen Gods evenals de wahdat. Hij is de wereld van het zuivere geheim (rahsa ening), want het is het geheim van het goddelijk wezen, dat erin is. Door het woord rahsa wordt onmiddellijk de gedachte aan eigen diepste wezen gewekt. Dit is één met dat van Mohammad en met God; op gezag van de ahl altawhid wordt dus deze rahsa onderscheiden in sirr, ghaib, en Hang. respectievelijk eenheid, wezen, en volmaaktheid van alle leven aanduidend, en Allah, Mohammad en den volmaakten mensch benoemend. Voor'deze drieëenheid wordt verder het oude beeld van de eenheid van golven, zee, en water gebruikt.

Zelfs de leer van den adem als één met het alleven wordt niet vergeten, waar in de slotwoorden gezegd wordt: „De ldlam alarwah, die God gelijkt en op goddelijkheid aanspraak maakt, is de vierledige adem, omdat de Ldlam alarwah wezen Gods heet.

Zoo het niet uit bloote verwarring voortkomt, is het opvallend hoe de bepaling van het karakter van dezen eersten graad der phenomenale wereld vrijwel een herhaling is van hetgeen boven over de verhouding der absolute eenheid tegenover den eersten graad van zelfbepaling geleerd werd. Maar duidelijker dan ginds valt hier de scheiding tusschen eeuwig en geschapen, tusschen qadïm en anjar, tusschen 'God en wereld. Het besef van deze tegenstelling was in alle geval duidelijk aanwezig.

Sluiten