Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

135

Hoewel de islamiseering algemeen wel zoover is doorgegaan, dat ook Eroetjakra uit Arabië komt, is de Javaansche Messias dus niet de Mahdi; versmelting dezer twee voorstellingen heeft in de pralambangs nog niet plaats gehad.

Het is uit de geschiedenis bekend, dat de Dipa Nagara van den Java-oorlog den naam Eroetjakra heeft aangenomen. Nu heeft Brandes erop gewezen, dat de babads*) van nog een Eroetjakra gewagen, hoewel in de oude Ho'llandsche stukken, bekendgemaakt in De Jonge's Opkotnst van het Nederlandsch gezag, daarvan niet wordt gerept. Deze oudere Dipa Nagara-Eroetjakra is B. M. Soengkawa, daarna geheeten R. M. Dipa Taroena, die van zijn vader, Pangeran Poeger, toen deze als Pakoe Boewana I (1704—1719) de regeering aanvaardde, den naam Dipa Nagara ontving. Wij zullen hier niet opnieuw de lotgevallen van dezen Dipa Nagara, die in 1723 met zijn verbanning naar de Kaap eindigden, releveeren. In Brandes' artikel is dit reeds geschied, en ook diens Register op de Babad Tanah Djawi geeft s. v. Eroetjakra een relaas der feiten. Dat deze Dipa Nagara, niettegenstaande den ongunstigen afloop der gebeurtenissen, wel de magische krachten van een vorst bezat, ook in de oogen van den chroniqueur, die het Baba dverh aal te beek stelde, blijkt uit hetgeen den vermetelen Sasra Nagara, die zich aan de zeven door hem op Dipa Nagara buitgemaakte selirs vergreep, trof. *) Zoo magisch-gevaaTlijk is alleen een echt vorst, en deze gevaarlijkheid strekt zich uit over

1) Babad Tanah Djawi bl. 625 en volg., Babad Kartasoera, ed. van 1876, III, bl. 77 en volg.

2) Sarêng antawis tigang dinten ki dipati Sasranagara kalananganipoen mëteeng sapoepoe sarta risak; anangis aroe ara asambat

>* njoewoen pèngapoera ing Panëmbahan amargi ënggenipoen adamël sawënang rtatëng para seiiripoen. (Babad Tanah Djawi bl. 654, 655).

Het zwellen der lichaamsdeelen waarmee de taboeregels overtreden zijn, behoort tot de alom bekende straffen daarvoor. Wie eet van de schotels van den Mikado, krijgt een gezwollen en ontstoken mond en keel: wie zijn kleeren draagt zonder zijn toestemming, diens geheele lichaam zwelt op en wordt pijnlijk. Van de Fidji-eilanden wordt hetzelfde hericht. Zie Frazer, The Golden Bough (b.v. abridged ed. 1923* bl. 202).

Brandes teekende.hierbij reeds aan: „Andere gedeelten van dezen zelfden Babad verspreiden over mededeelingen van dezen aard een belangrijk licht" (T.B.G. XXXII, bl. 371, noot). In dit verband is de aanwijzing van Pangeran Poegër als opvolger van Mangkoerat II (Babad Tanah Djawi bl. 484, vergel. Hoesein Djajadiningrat o. c, bl. 217, 218) het eerst te noemen. Daar toch blijkt, hoe men den lichtglans, die tot de vorstelijke waardigheid recht geeft, in de genitalia gelocaliseerd achtte. Naar mij nu blijkt, heeft

Sluiten