Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

148

vorst des lands, representeert den vorst; hij zetelt te Purbaeasana, d.w.z. hij handhaaft de inzettingen der ouden; zijn vrouw heet Tatawatï, d.w.z. orde en regel kennend, en hun kind is Ratna Aruip! De tegenstander heet Rakatabyüha, blijkbaar een naam uit een cf ander Arthacastra, hoofdstuk „Het bestrijden van tegenstanders", blijven hangen (rakatabyüha=kërkatavyüha, de naam van een der in dat soort litteratuur opgesomde legeropstellingen, de „kreeftslagorde").

Hij zetelt te Günyanfara, welk woord wel naar analogie van plaatsaanduidende woorden als nusdntara gevormd zal zijn van c&nya, leeg, ijdel; zijn patih heet Saka JAaga, uit hartstocht. Ten overvloede wcrdt nog in het geschrift zelf*) gezegd, dat Banoraja mawak éharmma, de belichaming is van de dharma, en Rakatabyüha mawak èngkara, de belichaming van de eigenmachtigheid.

De vorst wcrdt eerst over de verschillende yuga's ingelicht.

De kèrtayuga duurde 4.444.444 jarén, de mensch leefde toen •10G.Ó00 jaar, zocdat hij zijn geslacht tot krepék, de verste linie, die men benoemen kan, aanschouwde. Niemand stierf op jeugdigen leeftijd. De tegenstellingen leven-dood, hitte-koude bestonden niet. De mensch had tien prana's, en vier waren de voeten van de dharmma, waarop de wereld steunt. De. tretayuga duurde 3.333.333 jaren, enz., de mensch had vijf prana's; in de dwapara had hij er twee, in den kalitijd 9(?). De tretayuga wordt maar heel even aangestipt; de dwapara wordt uitvoeriger behandeld. De menschen worden o.a. beschreven als bratalaksana, wedala-Lsana, caturyajnalaksana, danapunyakirtilaksana, zij kennen al hun verwanten en vrienden, weten den oorsprong van alle schepsel, beminnen al wat leeft, en smaken het grootste geluk in het dooden van alle gevoelens, die van de gebieden der zintuigelijke waarneming binnenkomen. In de kaliyuga zal de aarde echter slechts één voet hebben; vandaar dat de wereld schudt en schokt op onbeschrijfelijke wijze. De saamgepakte wolken stiehten verwarring, er is geen water in de ulakans, men sterft 63 dooden. Niemand onderricht meer een ander, de tuwans niet meer de tanda's, de tan'da's niet meer de mantri's, de mantri's niet meer den vorst. De vorst heeft geen égards meer voor de wiku's, en dé wiku's zijn niet meer te vertrouwen. Diefstal, schoffeeren, dccdslag zijn aan de orde van den dag. De deugdzamen sterven en de dieven blijven leven. Men wordt zeer bemoeilijkt bij het

1) Cod. Leiden 3898, bl. 20.

Sluiten