Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

154

gewoonlijk slechts een paar der kanonieke incarnaties iets meer op den voorgrond", terwijl Stutterheim tot de conclusie kwam, neergelegd in stelling V van zijn dissertatie, dat de op Java gehuldigde leer omtrent de avatara's van Visnu praepuranisch is. Hierbij sluit zich de conclusie ten aanzien van Kalki volkomen aan. Wel zegt Prof. Krom in zijn Inleiding tot de Hindoe-Jdvaansehe kunst, 1) dat er op Java afbeeldingen van Kalki zijn gevonden, maar in de bespreking van den eenigen tempel, waar dit het geval zou zijn, drukt hij zich minder beslist uit door te zeggen, dat het voor de hand Mgt in dien ruiter, waarmee de sluitsteen versierd is, de Kalki-avatara van Visnu te zien, „hoewel het niet gemakkelijk gaat zulk een veronderstelling te bewijzen".s) Prof. Krom wijst er tevens op, dat dit Bangkal ook Bongkal heet, en dat uit een oorkonde een Civaitisch heiligdom van Wungkal, dat zeer wel in deze buurt gelegen kan hebben, bekend is. Het wil ons voorkomen, dat, alles bijeengenomen, de Kalkivoorstelling niet aan waarschijnlijkheid wint, hoewel, naar Prof. Krom opmerkt, het voorkomen aan één tempel van Visnuitische en Givaitische symbolen niet ongewoon is, en het karakter van een tempel uit een enkele voorstelling dus niet valt op te maken.

In de Korawacrama dient een verhaal, waarin Gira ascese verricht om de gouden eeuw weer te herstellen, als inleiding voor een mythologische verklaring der natuurverschijnselen. Ook dit wijst niet op een levendig besef van Visnu's rol als wereldvernieuwer aan het einde der tijden.

Van geheel andere strekking dan de Caturyuga is de Caturyugawidhicastra, waarvan het legaat-Van Der Tuuk verscheidene exemplaren rijk is. Dit eveneens van Bali afkomstige werkje bestaat uit Sanskritcloka's, elk gevolgd door een Oudjavaansche vertaling, die dikwijls het karakter van een breeden commentaar aanneemt. In het begin wordt bhatara Pacupati als verkondiger genoemd.

De eerste cloka:

na ca brahma na ca visnu(r) na caiva, Cpi) mahecyarah na bhumi(r) na jalam va'pi na tejo na ca marutah doet al dadelijk zien, dat hier een kosmogonischë verhandeling zal worden gehouden. Achtereenvolgens wordt gesproken over de

1) Dr. N. J. Krom, Inleiding tot de Hindoe-Javaansche kunst II, bl. 291, I, bl. 98.

2) o. c, bl. 291.

Sluiten