Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

170

de genealogie van Moeradi(n) en Moeraidi(n), die hier, zooals ook elders wel, Soeldi en Moeraidi(n) heeten, ongetwijfeld beter bewaard.*)

De reeks is daar: Mohammad, Fatimah, Hasan Hoesein, Djenoelabidin, Sajjid Masjhar, Sajjid Jadjid, Sajjid Molana Maghribi, Sajjid Arip Mohammad. Sajjid Molana Maghribi ging naar Java, Sajjid Arip Mohammad naar Soemeneb, alwaar hij den Islam, de agama kang söetji, onderwees. Hij huwde daar met Dewi Sribaöon, dochter vn den vorst van Madoera, wier moeder uit de Soendalanden afkomstig was. De grootvader van moederszijde van Sribanon stamde af van de vorsten van Padjadjaran. De twee zonen die zij kreeg heetten Soeldi en Moeraidi(n); de oudste van hen, bijgenaamd Iman Mahdi, moest over Arabië regeeren, de jongste over Java.

Deze genealogie is na "Molana Maghribi zeker beter overgeleverd dan in de Malangjoedabcekjes, al is ze ook zoo even onmogelijk van opzet. De vier eerste leden zijn de profeet en zijn afstammelingen; wie Sajjid Masjhar of Masjhoer is, weet ik niet. Jadjid= Jezid, maar toch wel niet de als aartsvijand van de profetenfamilie voorgestelde „moordenaar" van Hoesein, en anders.... bien étonnés de se trouver ensemble! Molana Maghribi is de naam van den te Gresik begraven liggenden heilige Malik Ibrahim, een der Javaansche wali's. Alles tezamen dus een eerbiedwaardige Ahnengalerie. Wat den naam van de moeder van Moeradi en Moeraidi betreft, deze is in de Moslimsche gewijde geschiedenis niet onbekend. Om ons tot de gegevens der Javaansche litteratuur te bepalen: Saribanoen heet immers de vrouw, die, hoewel ze eerst niet wilde hüwen, door Jezid tot echtgenoote begeerd, boven hem den voorkeur gaf aan Hoesein. 2) Daardoor ontstond, volgens de voorstelling van de*"Tapel Adam en andere Indonesische vereerstvolgende jaar alip (1912) hij als ratoe adil optreden zou. Zijn roeping daartoe is weer zooals haast altijd in zulke gevallen. Hij verrichtte ascese op den Goenoeng Tangköp (in Modjokërto), waar, naar men zegt, ook Soenan Kalidjaga eens tapa uitoefende, en kreeg toen van genoemden heilige bezoek. Deze kondigde hem den loop der gebeurtenissen van de e. v. jaren aan. Ook een oude vrouw uit een desa in Djëtis, die als heilig beschouwd werd-, verklaarde hem dat hij later Soeltan Awlija te Ponorogo worden zou. • 'Zijn broeder Kasan Ngaloei (die te Padang als banneling overleed) zou vorst worden, en wel,te Këtongga, en met hem zou zij dan huwen. Dit alles zou gebeuren wanneer „Pasar wage pindab mëngidoel", en er daar een spoortrein komen zou.

1) B.v. coll. Prof. Hazeu No. 147a V C I, bl. 13—20.

2) Zie b.v. Tapèl Adam (uitgegeven bij Lange, 1859) bl. 203 en volg.

Sluiten