Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

171

halen, de vijandschap van Jezid jegens Hoesein, die op den dood van laatstgenoemden uitliep. Het zou niet zoo verwonderlijk zijn, wanneer deze pawestri oetanïa, de Trouw van Hoesein, haar naam aan de moeder van den ratoe adil geleend had, waar diens geheele stamboom met namen uit de profeten- en heiligenlitteratuur is samengesteld. *)

Eén ding kan men van deze voorspellingen zeker zeggen, n.1. dat ze van Westjavaanschen oorsprong zijn. Het precies aangeven der familierelatie van den verwachten heerscher met het Padjadjaransche vorstenhuis zet aan zijn persoon alleen meer luister bij, wanneer het Padjadjaransche rijk dat der roemruchte traditie is. Zulks wijst dus noodwendig naar West-Java. Een West-javaansch verhaal waarin Maulana Maghribi's zoon 'Arip Mohammad met een prinses van SoemenSb, wier moeder van Soendaneesche afkomst was, huwt, is ons evenwel niet bekend. Zulk een relaas kan echter ook naar den gewonen gang van zaken in de krcniekverhalen „vrij gevolgd" zijn; in verscheidene heiligenlegenden en babadverhalen is immers — wel in overeenstemming met de werkelijkheid — sprake van huwelijken met de prinsessen van de landen waar de heiligen het eerst voet aan wal zetten.

Het "trekje dat de vader den zoon geen verlof geeft vorst te worden alvorens een bepaalde tijd verstreken is, vindt men eveneens in andere verhalen terug. In een door Hoesein Djajadiningrat 2) medegedeeld stukje uit een Tjerbonsch geschrift wordt verhaald hoe Soenan Goenoengdjati vernam, dat zijn achterkleinzoon, de kleinzoon van HasanoedDin, den stichter van de Ban tënsche dynastie, niet tevreden met zijn benoeming tot kroonprinsmederegent, tapa verrichtte ten einde onafhankelijk Vorst te kunnen worden. Hij zocht hem dus op en zeide: „Mijn boejoet, jongen, groot is hetgeen waar je naar streeft. Je wilt Soeltan van Bantên worden." Maar tevens wees hij hem erop, dat volgens een overlevering van den profeet, er geen twee vorsten mochten zijn in één land, want dat zou zijn als waren er twee Allahs op

1) v.d. T. vermeldt s. v. Jadjid, dat zij in het vooral op Lombok in trek zijnde Balineesche gedicht van dien naam Sribanu heet; in de Hik. Muhammad Hanafijah heet zij Sjahar Banoen; in een Sasaksch Amadhs. is het de naam van de jongste zuster van de fee Gendrasari, de dochter van Soeleiman bij een djinn. Volgens een bericht bij v. d. Tuuk komt Sribanoen ook in Atjèhsche vrouwennamen voor.

2) Critische beschouwing van de Sadjarah Banten bl. 91.

Sluiten