Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

177

Mijn schaduw is de geest van Mohammad. (De schaduw van den geest van Mohammad.) Het wezenlijkste des menschen is het volmaakte zijn. Heil in deze wereld, heil in het hiernamaals. O Hij, O Allah!

Elders weer1) worden verschillende sidêkahs opgegeven al naar gelang van de richting, waarin het huis staat. Hij wiens huis op het Noorden staat, moet roode rijst en een zwarte kip nemen; daarentegen hij wiens huis op het Zuiden staat, witte rijst en een witte kip, om niet door de legerscharen der djins, setans, lêlèmboets, dedemits, shémans, siloemans, te worden verslonden. Ook het gebed dat begint: Allahoema naqtoe dinoeloe, is een zeer krachtig afweermiddel (dold toèlak bégebloeg), vooral wanneer aan het einde daarvan nog een echte mantra wordt uitgesproken. Deze mantra bestaat, uit lettergrepen zonder slot of zin', waarvan steeds een aantal in bepaalde volgorde wordt gezegd, en dan in omgekeerde volgorde herhaald. Bij enkele groepen komt dit niet uit, maar dat zal wellicht op rekening van verschrijvingen te stellen zijn. Achter het reeds boven vermelde gebed voegt men dan: dajoeda, dujo.edu: jadajoeni, nijoedaja; midoese, dasoema; jasikaka, kajasija; siradja, djoeroesi; jasirara, rawasija; matradja, djarama; jamarani, niramaja. 2)

Ook een meer begrijpelijke bezwering, uitgaande van de mystieke gedachte van de eenheid van God, mensch en wereld, geeft macht over de geesten, wier rasa hem, die ze uitspreekt, onderworpen is. 3)

De mensch, die in wezen God is, heeft, wanneer hij dit tot uitdrukking brengt, van de booze geesten niets te vreezen; hij kent het wezen der geesten en heeft hen dus in zijn macht. Deze sjahadat toelak bala ratoé siloeman luidt: Asjhadoe momoehoe (?) "sjahadat matoe\nggal Allah kang sabènere

wong sitoemam wong sileman asihan awak sü&pa sa\ng sida lijêk (?) ja ingsoen kang alip ana ing boewana pontjot tèngah. Jki sjahadate:

Allah rasa

1) Hs. coll. Prof. Hazeu No. 161a no. 264.

2) Hss. coll. Hazeu No. 147a V C 5.

3) Dr. C. Snouck Hurgronje V. G. IV, bl. 108; Schrieke, Het boek van

Bonang bl. 63, 64.

12

Sluiten