Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

181

brandstof is ma^ripat en islam, 't vuur is de roh ilapi, de ketel (seëng) is sarining iman, het vaatwerk is bokor-bokor pèmangköe rasa, 't water is banjoe soetji talaga min bahroelhajat, 't kooksel is sari nabi, rasa wali, 't brandhout rasa ti pangeran, enz.

Dan komt in het handschrift waaraan dit ontleend is, een vraag: „Wie is Heer ratoe adil?, waarop het antwoord luidt: „Danarasa panëmbahan Madoerasa." Dit Danarasa komt ook voor in een ander gedeelte van hetzelfde hs., waar eveneens zulk een vragenlijst .te vinden is.

Daarin staat o.a.:

„Ti mana asal?" — „Ti noer."

„Naon ja bawa?" — „Roos."

„Mana ja djaman boemi moe'min?" — „Qoedrataellah." „Mana talaga?" — „Kalkawsar."

„Mana ratos kang adil?" — „Danarasa pangeran panatagama pangeran lahir pangeran batin."

„Di mana ja loenggoeh?" — „Di heuleut beuwang heufeut peuting, ja loenggoeh di gëdong samar."

„Di mana ja ngantjik?" — „Di lawang sahadat enz." *)

Het is dus niets verwonderlijk, dat ook de ratoe adil door het stellen van schijnbaar eenvoudige vragen zijn aanhangers van de onvoorbereiden scheiden zal. Uit de antwoorden blijkt duidelijk of zij waarlijk Moslims zijn, die ernst met hun geloof gemaakt hebben, of lieden, die bij het leven van allen dag zijn blijven staan, en dus, als niet in bezit van den waren Islam, niet waardig zijn aan het vrederijk deel te hebben.

Naar Prof. Snouck Hurgronje mij mededeelde, was het ook bij plaatselijke Sarekat-Islam-afdeelingen soms gebruik vóór de toelating tot lid zulke vragen te stellen.

Ook hierdoor doen zich deze voorspellingen als van inheemsche origine kennen. Zijn de gegevens voor de entourage in de Djajabaja-pralambangs hoofdzakelijk uit de geschiedenis, uit de historische litteratuur dus, en uit de Kunstdichtung genomen, de elementen voor deze voorspellingen liggen in de primbons en iri de populaire stichtelijke lectuur, waardoor zij van zelf meer geïslamiseerd zijn. De islamiseering bepaalt zich echter tot de enkele gegevens, het geheel is nog een voorspelling van een ratoe adil, die over Java regeeren zal, en speciaal daar vrede en gerechtigheid

1) Hs. No. 21, bl. 83.

Sluiten