Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

207

Soms wordt een geheele reeks van onderling verbonden grootheden opgegeven, waarbij van Allah wordt uitgegaan. Met Allah bindt de geest (de geest is tötali van Allah), met den geest de adem, met den adem het leven, met het leven de liefde, met de liefde de wil, met den wil de willende. Wie deze catena doorziet, weet dat het reine, zuivere hart, dat door den naam Allah, die als een lamp schijnt in het gebouw des harten, tot zijn eigenlijk zijn gebracht ie, Hem aanschouwen moet. Wie dat verkregen heeft is de insdn alkdmü J.

Ook in No. 77 der Jav. hsi. coll. Prof. Snouck Hurgronje bl, 9b heet het: tëtali wil zeggen leven, .dus geest, adem, lichaam. Het lichaam is de drager, het substraat (katoenggangan = wahana) van den geest, en de geest is de drager van het goddelijk zijn. Hier is eveneens slechts de verbindende, schakel bedoeld.

Een geheel ander aspect vertoont weer het volgende, waar zuiver formeel een adem met de verschillende lichaamsopeningen en de inwendige organen in verband gebracht is. Zoo heeft men: De adem, die ingaat in het oor, heet napsoe ammarah; de adem, die ingaat in den mond, heet nap>oe lawwamah; de adem, die ingaat in den neus, heet napsoe soe'ijah; de adem, die ingaat in het oog, heet napsoe moetmainah. Twee bijeen heet anpas (plur. van napas). Blijft de adem in de hersenen dan heet hij boedi. Is hij één geworden, dan heet hij geheimenis, d.w.z. wezen Gods 2).

De adem, die uit het oor uitgaat, komt uit de milt, zijn functie is alle hooren. De adem uit de oogen komt uit de galblaas, zijn fnnctie is alle zien. De adem uit den neus komt uit de longen, zijn functie is: anglëboer ing sakehe kang atos, nawa ing sakehe wisa kang mandi. De adem uit de strot komt uit de lever, zijn functie isalle gedachte Gode aannemelijk te maken. De adem uit de fontanellen kopit uit het hart. Hij omvat alle voorafgaande napas, die nabi, walij moe'min, en soekma genoemd worden.

De napas van den relatiegeest echter is in het kloppen van het bloed; hij komt uit de borsten, in hem zijn iman, tawhid, en ma'rifah, en zijn functie is fand *).

In No. 42 der Soendaneesche hss. coll. Prof. Snouck Hurgronje bl. 32 wordt de adem als zesderlei aangeduid. Er worden echter slechts die uit den neus, en gericht naar het Oosten, geheeten Aboe Djalal» en die naar het midden, geheeten roh Allah, genoemd. De naam Aboe Djamal en Aboe Qahar, komt ook in hs. 137 bl. 55 in verband met stem en adem voor. Klinkt de stem, dan is hij in Aboe Qahar, d.w.z. het gelaat; zwijgt de stem, dan is hij in Aboe Djalal, d.w.z.

1) Hs. 137, bl. 40,

2) ibidem.

3) ibidem bl. 43, 44.

Sluiten