Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

208

den navel. Het hokken van den adem (? santoegan, wel foutief voor santoekan) bij het rondgaan in het lichaam is in Aboe Djamal, n.1. in de hersenen ')• Hier heeft men . dus de drie etappen van den door het lichaam circuleerenden adem met drie der namen van goddelijke eigenschappen genoemd.

Elders weer wordt bij een uiteenzetting van vier en twintig zaken dés lichaams gezegd dat de roh djatmani Aboe Qahar heet, en zijn plaats heeft in den 'alam safil, d.w.z. den strot;.de roh rahmani heet Aboe Djalal, en heeft zijn plaats in. den 'alam tafitfik, d.w.z. den navel; de roh ïlapi heet Aboe Kamal, en zetelt in den 'alam soelbi, d.w.z. den rug. De roh rabbani wordt wel genoemd, maar niet gelocaliseerd 2).

Vermoedelijk zullen dus de zés adems, die boven onvolledig werden opgesomd, in verband zijn gebracht met de zes roh's en met de windstreken.

De aspecten van het goddelijk wezen komen ook voor a^ doel waarheen de diverse adems in- en uitgaan. De ingaande adem gaat bij zijn ingaan naar de verborgenheid Gods, zijn rust in het lichaam gaat naar de eeuwigheid Gods, zijn uitgaan is naar de verhevenheid Gods. Links uitgaande gaat de adem naar de macht Gods, rechts uitgaande naar de verhevenheid Gods3).

Ook worden er combinaties gemaakt met termen uit de erotiek4). De napas uit den neus heet asmaradjoeuita, die uit den mond asmaratantra, die uit het oog asmarawoelan, die uit het binnenste asmaragama. Welke beteekenis deze termen precies hebben zal wel niet veel uitmaken voor de verklaring van het verband met de ademsoorten. De door deze erotische termen gewékte gedachtenassociaties concentreeren zich evenzeer om de eenheid als de termen der ademtucht5).

-Enkele primbons bevatten meer gedetailleerde beschrijvingen van de praktijk van het adembedwang. Hs. 86 bl. 32 en volg. is er b.v. vrij uitvoerig over, en ook hs. 77 bl. 48—52 geeft het een en ander. Rinkes heeft al iets daarvan gepubliceerd, en voor een groot

1) De oude opvatting dat bij de brahmarandhra, ergens in den schedel gelocaliseerd, de adem stilstaan moet.

2) Noerhakim-primbon onder 'alam adjsam.

3) Hs. 85 bl. 38,

4) ibidem bl. 37 b.v.

5) Ook b.v. Tjiandjoersche primbon bl. 272-273 (No. 199). Ook heet het daar: napas uit den mond, zwart, ziel; napas uit den neus (N.B. tjoengoer), groen, leven; napas uit het oor, schitterend, omvattend; napas uit het oog, wit, hoogrein in zichzelf.

Van de opgegeven termen zijn asmaragama en asmaratantra, dat in het Oudjav. eehter ook een synonym kan zijn van het eerste, duidelijk. In asmaradjoewita zal djoewita wel doelen op den levensadem; de andere termen weet ik niet te verklaren; misschien is moerta het tegenovergestelde van djoewita (jiwita) en wordt er de laatste adem mee bedoeld.

Sluiten