Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

7

taar en aanvulling x. Toch was de toestand nog alles behalve rooskleurig, zooals blijkt uit een schildering van Dr. Hans Lieske in de „Deutsche Tiefbauzeitung" van 6 April 1921. „Die Freizeichnungsklauseln", heet. het daar, „sind allmahlich zu Totengrabern von Treu und Glauben im Verkehr geworden. Die Klausel „freibleibend" beherrscht und kennzeichnet zugleich unser gegenwaxtiges Wirtschaftsleben. Sie ist ein arger Feind der Gesundung der Vertragstreue; jedes Fundament für den Aufbau wohlüberlegter fester Abschlüsse erschüttert sie; die Vertragsparteien macht sie zu einer Art von Gltickspielem; denn wenn das ganze Vertragsangebot, wenn Preise oder Lieferungszeit „freibleiben", wenn „Zwischenverkauf'' oder „Lieferungsmöglichkeit" vorbebalten wurde, so kann kein Prophet voraussagen, wozu sich ein unter derlei Verklausulierungen geschlossener Vertrag für den Abschlieszenden am Ende auswachst" 2.

Deze misstanden spruiten voornamelijk hieruit voort, dat de verkooper in een tijd van goederenschaarschte als bezitter der waar de wederpartij in de hand had. Hij wenschte zich niet aan rechtsbeginselen te storen, maar het zich geheel door zijn eigenbelang leiden, daarbij gesteund door de talrijke oppermachtige „Verbande" (kartells, syndicaten, trusts), die het volle risico op hun afnemers plachten af te wentelen. Vooral door hun toedoen kwam de Duitsche V.-clausule tot groote ontwikkeling. De bestudeering daarvan kan ook voor ons land goede resultaten hebben *.

Volgens Staudinger 4 speelt de Freiklausel de grootste rol bij „Lieferungsvertrage" (Kaufvertrage en Werklieferungsvertrage), komt zij echter ook bij andere overeenkomsten, bv. bij zuivere „Werkvertrage", voor. Beschouwd volgens ons recht, komt deze uitlating hierop neer, dat V. niet alleen wordt aan-

1 JW. 1921, S. 158 ff.; RuW. 1921, Nr. 5; Farbe und Lack 1921, Nr. 23; Gummiwelt 1921, Nr. 27/28.

• Zie ook een reeks artikelen over „De Duitsche Contracten" in „De Nederlandsche Nijverheid" van 1920—1922.

• Er bestaan ook twee dissertaties over de Freiklausel, nl. van Thalmann (Erlangen, 1920) en Hirsch (Erlangen, 1921, 53 S.), beide niet in druk verschenen. Alleen de laatste heb ik kunnen raadplegen.

• Gesn., S. 49.

Sluiten