Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

44

1) Door aanneming van het aanbod komt de overeenkomst onmiddellijk tot stand. Dit beteekent in de eerste plaats, dat van dit oogenblik af de rechtsband is gelegd en de aanbieder zich niet meer willekeurig daaraan kan onttrekken h Hetzelfde geldt natuurlijk voor de wederpartij, maar dat doet hier niet ter zake. In dien zin spreekt men, niet alleen in de wetenschap, maar ook in de praktijk, van een „gebondenheid" aan het aanbod (Duitsch: Gebundenheit), een „bindende" offerte *. Men' moet zich door deze terminologie niet in de war laten brengen. Zij wil alleen aangeven, dat de aanbieder, zoolang bij. zijn aanbod niet heeft ingetrokken, een acceptatie tegen zich moet laten gelden; op onherroepelijkheid van het aanbod vóór de acceptatie wordt daarmee niet gedoeld3. „Gebondenheid" aan het aanbod beteekent dus niets anders als het „geldig bestaan" van het aanbod; zoo spreken Duitsche schrijvers dikwijls van „Geltung", „Wirksamkeit", ook wel van „Annahmefahigkeit" der offerte. „Bindende" offerte wil zooveel zeggen als echte offerte, geschikt om geaccepteerd te worden, in tegenstelling met de „voorloopige" of „vrijblijvende" offerte, die in verband met een correspondeerende verklaring géén overeenkomst opleverti in Werkelijkheid dus geen aanbod is. Tenzij uit het zinsverband het tegendeel bhjkt, worden de termen „gebondenheid" en „bindend" voortaan in de hier aangegeven beteekenis gebezigd.

Met een bindend aanbod hebben wij dus niet te doen, wanneer de aanbieder ook na de acceptatie nog geheel willekeurig zijn voorstel mag terugnemen. Zoo wordt in sommige antwoorden op Vraag I 1 der Enquête gezegd, dat de aanbieder niet verplicht is een bestelling te accepteeren, maar ook bij ontvangst der acceptatie nog het recht heeft te beslissen, Of hij het aanbod gestand zal doen. In werkelijkheid zijn dit geen bindende,

1 Vgl. Rb. den Bosch 25 Mei 1894, W. 6852 (velling); Hof den Haag 3 Maart 1902, W. 7807 (openbare mschrijving),; Hof Leeuwarden 15 Febr. 1912, W. 9315, vern. Rb. Leeuwarden 26 Jan. 1911, W. 9131 (uitgifte van aandeelen); Rb. Groningen 31 Jan. 1919, N. J. 19, 379 (veiling).

* Zie Opmerkingen ad Vraag I 1 der Enquête en Hof Amsterdam 26 Nov. 1920, W. 10670.

• Brinz, Pandekten IV, S. 303 N. 2; Karlowa, Rechtsgeschaft, S. 17 ff.

Sluiten