Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

46

Tot hiertoe onderstelde ik, dat het initiatief tot de overeenkomst geheel uitging van den aanbieder (ongevraagde offerte). Het aanbod kan echter worden voorafgegaan door een U. T. O., in welk geval de wederpartij het initiatief neemt (gevraagde offerte)1. De U. T. O. heeft rechtens geenerlei beteekenis, zij is enkel een opwekking, een attent-maken, en vormt dan ook in alle opzichten een tegenstelling met het „bindend" aanbod. Er is geen sprake van, dat door de correspondeerende verklaring van den aangezochte een overeenkomst zou ontstaan.

1) Ook na het antwoord is dus nog geen rechtsband tusschen partijen aanwezig. De aangezochte stelt hoogstens een aanbod (voor zijn positie, zie boven), terwijl de uitnoodiger nog in geen enkel opzicht gebonden is; een herroeping heeft dan ook geen zin. Hij mag de aanvaarding van den aangezochte, al wordt deze ook onverwijld en zonder voorbehoud afgegeven, gerust naast zich neerleggen, en behoeft geen vrees te koesteren, dat zijn zwijgen als toestemming zal worden uitgelegd. Doet hij nog uitdrukkelijk van zijn weigering blijken, dan geschiedt dat slechts uit wellevendheid en hoffelijkheid, rechtens is hij er niet toe verplicht. Evenmin behoeft hij zijn afwijzing te motiveeren, hij mag geheel naar goedvinden handelen.

Hij kan echter ook zijn uitnoodiging trouw blijven en op de aanvaarding van den ander ingaan: dan komt een overeenkomst tot stand. Als „aanbieder" is echter diegene te beschouwen, die de uitnoodiging ontving, als „acceptant" eventueel hij, die de uitnoodiging deed. Terwijl bij het aanbod een „aanvaarding" der acceptatie geen zin heeft, is hier nog een wederwoord noodig, dat de uitnoodiger met de toestemming van den aangezochte accoord gaat.

2) Wij zagen, dat de duur der gebondenheid noodzakelijk begrensd is. De U. T. O. is echter aan geenerlei termijn gebonden, of liever, deze vraag doet zich hier niet voor, want door het voortbestaan kan niemand worden gedupeerd.

1 Over gevraagde en ongevraagde offerte, zie Opm.n 10, 80, 84 ad Vraag I 1 der Enquête, ook Hof A'dam 26 November 1920, W. 10670.

Sluiten