Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

54

noodig is om de wederpartij gelegenheid te geven het aanbod te overwegen, dus hoogstens enkele dagen. Maar dit wil niet zeggen, dat na verloop van dien tijd het aanbod niet meer geaccepteerd zou kunnen worden; in den regel duurt de „gebondenheid" toch langer dan maar enkele dagen. De schrijvers 1 laten veelal met de onherroepehjkheid ook het aanbod zelf verdwijnen en aan dezelfde fout maakt zich de wetgever * schuldig. Men zie ook de Opmerkingen ad Vraag I 1 der Enquête.

In § 1 bleek, dat de duur der gebondenheid door een termijn nader kan worden bepaald. Maar hetzelfde is bij de onherroepelijkheid mogelijk. In verband met het zooeven gezegde kan dus de offerte: „ik bied aan voor acht dagen" drieërlei beteekenis hebben*:

a. mijn offerte geldt hoogstens acht dagen, ik behoud mij tusschentijdsche herroeping voor, zoolang de wederpartij nog niet heeft geaccepteerd. Na afloop is geen acceptatie meer mogelijk. In dit geval slaat de termijn alleen op de gebondenheid. Zie boven, blz. 45.

b. mijn offerte geldt precies acht dagen, een herroeping gedurende dien tijd mag worden genegeerd. Na afloop is geen acceptatie meer mogelijk. Hier slaat de termijn zoowel op de gebondenheid als op de onherroepehjkheid.

c. mijn offerte geldt minstens acht dagen, een herroeping gedurende dien tijd mag worden genegeerd. Ook nog na afloop is acceptatie mogelijk, mits de offerte niet is ingetrokken. De termijn slaat hier alleen op de onherroepehjkheid.

Welke beteekenis in casu bedoeld zal zijn, moet door uitlegging blijken, maar men mag als regel aannemen, dat de offerte gedurende den gestelden termijn onherroepelijk is en het enkele verstrijken van den genoemden tijd zonder acceptatie het verval der offerte met zich brengt *. Ik maak er

» o. a. Asser-van Goudoever III, blz. 269; Visser-Kist III, blz. 13 w.; Démogue t. a. p. No. 568; en vele Duitsche schrijvers, bv. Enneccerus, § 152 II.

• DBGB. §§ 146 ff.; Schw. Obl. R. artt. 3 ff.; Scandinavische contractenwet, artt. 2 w.

* Vgl. Hauser, Z. f. Hr. Bd. 12 (1868), S. 70 ff.

4 Zie de Opmn. ad Vraag I1 der Enquête en Baudry-Barde, Traité I, No. 33; Colin et Capitant, Cours élém. II, p. 273.

Sluiten