Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

61

heit ans Wort", en die te vergelijken is met wat men tegenwoordig noemt de onherroepelijkheid van het aanbod.

Met de Receptie van het Romeinsche recht komt een tegengestelde gedachte naar voren, reeds hierboven aangeduid. Volgens de „gemeenrechtelijke", op het Romeinsche Recht steunende theorie is de overeenkomst een organische eenheid, en zijn offerte en acceptatie slechts de onzelfstandige deelen eener (te sluiten) overeenkomst, die op zichzelf geen juridische beteekenis hebben: een belofte is vanzelf herroepelijk, zoolang ze niet is aangenomen. Maar daarnaast blijft het oude beginsel van de „Gebundenheit ans Wort" voortleven, en nu kan men constateeren, hoe dit langzamerhand weer de Romeinsche gedachte weet te verdringen.

Onder invloed van de beoefenaars van het natuurrecht, die de verbindende kracht der eenzijdige belofte staande hielden, verklaart het Pruisische Landrecht1 van 1794, in tegenstelling met het gemeene recht, den aanbieder gebonden tot de tijdige aankomst van het antwoord, voorzoover hij de gebondenheid niet heeft uitgesloten. Later, bij de voorbereidingen voor het Handelswetboek van 1861, juicht men het algemeen toe, dat het ontwerp de onherroepelijkheid van het aanbod onomwonden uitspreekt, en zelfs schrijvers over het gemeene recht, als von Scheurl2 en Bekker8, moeten erkennen, dat het ontwerp meer rekening houdt met de behoeften van het verkeer. Maar — zeggen zij — met het positief recht is dit resultaat niet te bereiken: hoogstens kan men de nadeelen der herroepelijkheid door schadeacties trachten te temperen; uitkomst is alleen van den wetgever te verwachten. Op hetzelfde standpunt staat jhering 4. Herroepehjkheid tot de acceptatie is het beginsel van het gemeene recht, maar, zegt hij, jure constituendo is de regeling van het ontwerp de beste. Herroepehjkheid tot de aanvaarding is praktisch minder juist, want een zekeren invloed kan de offerte ook al vóór dien tijd

1 I, 5 §§ 90/103.

• J. f. D, II (1858), S. 273/276 en slot.

• Jahrb. des g. d. R. II (1858), S. 367 ff.; 403 ff.

4 J. f. D. IV (1861), S. 43, 86 ff. Zie ook dezelfde in J. f. D. X (1871), S. 468/9.

Sluiten