Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

79

Een hoogst enkelen keer krijgt ook de rechter met de Freiklausel te maken. Genoemd wordt zij al in een beslissing van het Handdsappellationsgericht te Nürnberg van 11 Mei 1866. Zeer uitvoerig en zeer principieel daarentegen üjn een tweetal beslissingen van hetzelfde college van 10 Mei 1867 en 30 October 1868. Volgens de eerste is een V. A. geen echt aanbod, „denn der Ausdruck „freibleibend" bedeutet im kaufmannischen Verkehre, dass der Offerent freie Hand behalten will, weil er in der Regel den verschiedenen Geschaftskunden gegenüber gleichzeitig dasselbe Waarenoffert macht und daher nicht gebunden sein will in seinem Entschlusse, die Perfektion des Geschaftes auf die zu gewartigenden Bestellungen hin nach seiner freibleibenden WiUensbestimmung mit dem Einen oder Anderen derselben zu bewirken." Maar het volgend jaar bhjkt het HAG. er weer anders over te denken: volgens de in het handelsverkeer algemeen geldende opvatting is een V. A. „ein unter dem Vorbehalt des Widerrufs gemachtes". Verder is er alleen nog een vonnis van het ROHG. te Leipzig vanl October 1874.

De onzekerheid der economische toestanden in en vooral na den oorlog had een geweldige toeneming van het aantal vrijblijvende aanbiedingen tengevolge Dit hangt in de eerste plaats samen met de goederenschaarschte, ontstaan door gebrek aan grondstoffen en fabrikaten. Dé aanbieder, die de waar niet voorradig had, wilde niet het risico loopen, dat hij ze nergens meer bekomen kon of dat zijn leverancier hem het zitten, en stelde zijn offerte „vrijblijvend". Maar had hij de goederen in voorraad, dan zocht hij uit zijn voordeelige positie munt te slaan door zich zoo lang mogelijk het beschikkingsrecht voor te behouden, speculeerend op de mogelijkheid, dat nog een betere kooper kwam opdagen. Dikwijls ook bood hij de waar gehjktijdig aan meerdere personen of in het openbaar aan, en dan „vrijblijvend" om te kennen te geven, dat hij niet van plan was haar aan den eerste den beste af te staan, maar zich het recht voorbehield haar aan diengene te verkoopen, die onder de gunstigste voorwaarden accepteerde 2.

1 Vgl. Starke, S. 473; OLG. Dresden 14 April 1921.

* Vgl. Knott in Z. f. Hr. Bd. 85 (1921), S. 3 en Gutachten Hk. Berlin

1921, Nr. 6 S. 196 (Hohlglas).

Sluiten