Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

80

De abnormale groei van het V. A. houdt in de tweede plaats verband met de valutamoeihjkheden en de vele aanzienlijke en plotselinge prijsschommelingen. De aanbieder, die de waar nog elders moest aanschaffen, voorzag de mogelijkheid, dat zijn leverancier hem een prijs in rekening bracht, dien hij vanwege zijn verminderde koopkracht onmogelijk kon besteden, of die veel hooger was dan zijn eigen verkoopsprijs, en deed slechts een voorloopig aanbod, waarop hij altijd nog kon terugkomen. Had hij de goederen in voorraad, dan wilde hij ook gaarne van een verbetering van de conjunctuur profiteeren en behield zich het recht voor zijn aanbod terug te nemen en de goederen tegen een hoogeren prijs opnieuw aan te bieden, hetzij aan de wederpartij, hetzij aan een derde.

Door deze omstandigheden werd de vrijblijvende offerte regel, de bindende uitzondering, zeer tot schade van het handelsverkeer. In de Inleiding1 wees ik er al op, hoe de rechter herhaaldelijk geroepen werd om over het V. A. zijn meening te geven, en hoe een door den Hansa-Bund gehouden Enquête en een belangrijk artikel van Starke wat meer eenheid van opvatting poogden te brengen. Aan het overwicht van het V. A. kwam pas een einde, toen de goederenschaarschte en de valutamoeihjkheden van de baan waren en het handelsverkeer weer met vaste prijzen kon rekenen.

In ons land kan men een gelijksoortig verloop van zaken waarnemen. Uit enkele terloopsche opmerkingen valt af te leiden, dat de V.-clausule reeds vroegtijdig gebruikelijk was. „De koopman, die niet verbonden wil zijn", zegt bv. Kist *, „doet zijn aanbod vergezeld gaan van de verklaring „zonder obligo" of „voor zoo ver de voorraad strekt". Maar kwesties doen zich zoo goed als niet voor, en vandaar dat de rechter maar een enkelen keer met het V. A. te maken krijgt. De oudste beslissing is zeker wel die van de Haarlemsche Rb. van 7 Maart 1882, betreffende een van een Duitsche firma afkomstige prijscourant, waarin „vrijblijvend" werd aangeboden. De Rb. overweegt, „dat dit woord bij een aan fluctuatie

1 boven, blz. 6.

• Kist III (1875), blz. 14. Vgl. ook Hof Leeuwarden 15 Febr. 1912, W. 9315.

Sluiten