Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

91

men echter, dat aanbiedingen onder tennijn in het verkeer meestal als gedurende dien tijd onherroepehjk worden beschouwd, en dat de wetenschap nog altijd de onherroepehjkheid van het aanbod propageert en als een „onafwijsbare verkeerseisch" voorstelt — waarvan zich de terugslag ook weer in den handel doet gevoelen — dan zal men zulk een „Ausschluss der Gebundenheit" ook te onzent mogen verwachten, zij het dan ook in mindere mate als in Duitschland. Waarbij komt, dat de reëele aanbieder toch dikwijls een zekere „moreele" gebondenheid op zich voelt rusten om zijn voorstel gedurende een korten tijd gestand te doen, van welke verpachting hij zich pas ontslagen zal achten, wanneer hij de wederpartij door een duidelijke clausule omtrent het onzekere van haar positie zal hebben ingelicht.

Uit hetgeen vroeger in Hoofdstuk III over de onherroepehjkheid van het aanbod is medegedeeld volgt vanzelf, dat een uitsluiting dier onherroepehjkheid alleen tengevolge kan hebben, dat het aanbod weer ingetrokken kan worden, zoolang een acceptatie niet heeft plaats gehad. Immers de onherroepehjkheid betreft alleen den toestand voorafgaande aan de aanvaarding, zij geeft een bescherming aan de offerte, die na de acceptatie niet meer noodig is, omdat de wederpartij zich dan kan beroepen op het bestaan van een contractsverhouóïng. Na mtsluiting der onherroepehjkheid bhjft dus altijd nog een aanbod, zij het dan ook een onbeschermd aanbod, over, niets meer, maar ook niets minder. Anders gezegd: de uitsluiting der onherroepehjkheid laat de gebondenheid van den aanbieder volkomen intact.

De zaak is dus zeer eenvoudig, mits men de begrippen „onherroepelijkheid" en „gebondenheid" goed uiteenhoudt. Dikwijls wordt dit niet gedaan en allerlei verwarring is daarvan het gevolg. Dat begint al met de oudere Duitsche schrijvers. Hauser1 is een van de weinige, die duidelijk laat uitkomen, dat uitsluiting der wettelijke „Gebundenheit" en uitsluiting van den „animus obhgandi" geheel verschillende dingen zijn; over het algemeen schijnt men dit onderscheid niet te gevoelen,

1 Z. f. Hr. Bd. 12 (1868), S. 44 en 73. In Oostenrijk: Hasenoebrl, Obligationenrecht, S. 581 N. 8, S. 587 N. 33.

Sluiten