Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

99

mere beteekenis plegen te bezigen, mag men deze beteekenis ook in ieder bijzonder geval aan de bedoeling van partijen ten grondslag leggen. Slechts dan zal men tot een beperktere strekking der V.-clausule mogen besluiten, wanneer de omstandigheden, zooals vroegere onderhandelingen, gevoerde correspondentie, of het stellen van een termijn in die richting wijzen. De aanbieder moet duidelijk van de gangbare opvatting zijn afgeweken, anders geldt het normale.

Tk ben het dus niet eens met de in noot 5 van blz. 95 genoemde schrijvers, die het V. A. in den regel als een bindende offerte beschouwd willen zien. Trouwens, ook in Duitschland zelf is deze opvatting zeer bestreden. Zoo wil Enneccerus1 liever geen offerte aannemen, omdat bij onzekerheid, of een verklaring wel een aanbod is, zij niet als zoodanig mag worden beschouwd, terwijl Dernburg * in twijfel voor de ruimere uitlegging partij kiest met een beroep op den klank van „vrijblijvend". Inderdaad is het gelijk aan de zijde van laatstgenoemden, niet zoozeer op grond van het door hen aangevoerde als wel om de eenvoudige reden, dat handel en verkeer het beding „vrijblijvend" nu eenmaal ruim plegen op te vatten.

III. Duur der herroepelijkheid

Het in deze paragraaf besproken „vrijblijvend aanbod" is in alle opzichten als een echt aanbod te beschouwen, daar direct met de acceptatie het tijdperk der definitieve gebondenheid intreedt. Na dat oogenblik is een terugtred niet meer mogelijk en voor het ontstaan van den contractsband is geen verklaring meer vereischt, al wacht de overeenkomst misschien nog op een nadere bevestiging. Voor de positie van den aanbieder en de wederpartij kan ik dus volstaan met te verwijzen naar hetgeen daaromtrent in § 1 van het vorige Hoofdstuk is medegedeeld.

Intusschen: zoo gebonden als de aanbieder is na de acceptatie, zoo vrij is hij daarvóór. Hij mag zijn voorstel terugnemen, niet alleen op redelijke gronden, maar zuiver wanneer

1 § 152 III.

• I, § 129 A. 7. Verder Staub, Exk. zu § 361 A. 16 en von Thur II, S. 466.

Sluiten