Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

111

woord de waax niet meer ter beschikking van den aanbieder zou staan, wordt uitdrukkelijk ter zijde gesteld in een vonnis van het ROHG. van 1 October 1874. Al is het waar, merkt het ROHG. op, dat de Freiklausel aan een offerte pleegt te worden toegevoegd om vrij te zijn ondertusschen aan anderen te kunnen verkoopen, „so ist es doch dabei auf den Vorbehalt völliger Freiheit des Handelns abgesehen, und nicht in der Absicht des Offerenten gelegen, sich gegebenenfaUs erst noch mit dem Adressaten in eine Controverse darüber einzulassen, ob die Waare zur kritischen Zeit noch disponibel war." Zoo een constante rechtspraak *;

De hteratuur staat zonder uitzondering op hetzelfde standpunt. Dat bhjkt al bv. bij Köppen *, die het beding V. gelijkstelt met de voorwaarde „si voluerit": het tot stand komen der overeenkomst is aan 's aanbieders vrijen wil overgelaten. Evenzoo spreekt Cosacks van „willkürlich zurückweisen", Planck * van de „freie Entschliessung", terwijl volgens Staub 6 de aanbieder door toevoeging van onze clausule zich de „volle Handlungsfreiheit" wil voorbehouden.

IV. Wat is de positie van den acceptant?

Bij het onderzoek naar de bevoegdheid van den aanbieder (II) constateerden wij reeds, dat de acceptant met een wijziging van den inhoud van het aanbod (gedeeltelijke levering, prijsverhooging, enz.) geen genoegen behoeft te nemen. De vrijblijvende partij doet in zoo'n geval een nieuw voorstel, dat de ander kan aannemen of verwerpen. Dit vereischt geen verdere behandeling.

Een belangrijk punt is, of de wederpartij nog op haar verklaring kan terugkomen, zoolang de aanbieder de overeenkomst

1 OLG. Dresden 4 Juli 1917; Hamm 19 April 1918; Augsburg 11 Nov. 1920; Königsberg 18 Jan. 1921; Dresden 14 April 1921. 1 J. f. D. XI (1871), S. 354. » Handelsrecht (1893), § 23 II. 4 Komm. ad § 145 A. 5.

* Exk. zu § 361 A. 16. Zie ook Starke, S. 473; Dove, RuW., S. 99; Lieske in Deutsche Tiefbauzeitung 6 April 1921, S. 106.

Sluiten