Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

125

Het standpunt van de literatuur is al evenmin twijfelachtig. Als één man hebben de schrijvers zich bij het RG. aangesloten, zoodat de meening van Starke1 geheel op zichzelf is blijven staan. Reeds Cochlovius * komt tegen deze meening in verzet met een beroep op de goede trouw en de verkeerszekerheid, die verlangen, dat de acceptant de hem aangeboden overeenkomst als tot stand gekomen mag beschouwen, wanneer hij op zijn bestelling niet onnüddelhjk een afwijzend antwoord ontvangt. Oertmann 3 wijst meer op den aard der zaak: een V. A. wekt toch in ieder geval de voorstelling, het gerechtvaardigd vertrouwen, dat de aanbieder bereid zal zijn de bestelling uit te voeren; de wederpartij heeft alle aanleiding het zwijgen van den aanbieder als toestenuning uit te leggen. Ook het V. A. vestigt op zijn minst tusschen partijen een „geschaftliche Sonderbeziehung", die den aanbieder tot opheldering verplicht. Staudinger * drukt zich voorzichtiger uit. Hij geeft toe, dat er, momenteel althans, geen algemeen erkend handelsgebruik bestaat, dat den aanbieder tot een antwoord zou nopen. Maar, zegt hij, wel is het een eisch van de goede trouw, dat de aanbieder op een bestelling onmiddellijk antwoordt; doet hij dat niet,.dan geldt in twijfel zijn zwijgen als toestemming. Enneccerus zegt eenvoudig, dat het verkeer in dat geval zwijgen als toestemming beschouwt s.

Ten slotte moge in dit verband nog gewezen worden op de Scandinavische contractenwet. Wel begint zij met te bepalen, dat een V. A. wordt beschouwd als een uitnoodiging om een aanbod van gelijken inhoud te doen, maar, in overeenstemming met de Duitsche rechtspraak en literatuur, weigert zij

1 S. 473; zie boven, blz. 119. Evenzoo Goldmajin-LUienthal, Das BGB.

1 (1903), § 46, S. 185.

2 JW. 1920, S. 959. Zie ook reeds Staub, Exk. zu § 361 A. 16.

» ad JW. 1921, S. 393". Zie ook: Plum ad JW. 1921, S. 625'; Lieske in de Deutsche Tiefbauzeitung van 6 April 1921, en „Farbe u. Lack" 1921 Nr. 24 = „Gummiwelt" 1921 Nr. 31/32. « Gesn. S. 49.

5 § 152 III. Ook Fuchs ad JW. 1923, S. 118'.

Vgl. § 157 BGB. en § 346 HGB. Ook al ziet men in een V. A. slechts een U. T. O., dan is toch § 151 BGB. hier van geen nut; deze verlangt een „Annahme", een enkel zwijgen is niet voldoende. Onjuist Starke, S. 473.

Sluiten