Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

130

van meet af aan in den toestand van iemand, die een bindende verkoopsofferte heeft aangenomen. Deze gebondenheid van de wederpartij heeft alleen in zoover een eigenaardig karakter, als er geen verphchting van den „aanbieder" tegenover staat. Daardoor komt het, dat de kooper pas definitief kooper wordt, nadat de „aanbieder" de „acceptatie" heeft goedgekeurd, en dat hij zich in geen geval langer gebonden behoeft te achten, indien deze niet onmiddellijk iets van zich laat hooren. Wil men dus het V. A. als U. T. O. zien aangemerkt, dan moet men noodzakehjkerwijze ook de verklaring van de wederpartij beschouwen niet als herroepelijke, maar als onherroepelijke offerte. De gebondenheid van de wederpartij is dan een gebondenheid uit eenzijdige wilsverklaring.

Het V. A. is dus te omschrijven als uitnoodiging tot het doen van een onherroepehjke offerte. Daaruit volgt, dat men in ons recht niet volstaan kan met zoodanig aanbod te karakteriseeren als „het openen der gelegenheid een bestelling te doen op de aangegeven prijzen, zonder de zekerheid, dat zij zal worden aanvaard" 1, of als „een bereidverklaring op den aangeboden grondslag te onderhandelen"l. Alleen wanneer de wet reeds voor ieder aanbod in het algemeen de onherroepehjkheid uitspreekt, zöoals in Duitschland, Oostenrijk, Zwitserland en Scandinavië, kan men het V. A. zonder meer als U. T. O. definieeren.

Het V. A., waarbij de aanbieder vrij bhjft, totdat hij de „acceptatie" uitdrukkehjk heeft aanvaard, is een soortgelijke figuur als de verkoopbelofte, de koop op proef, het optierecht, enz. Ook daar hebben we te doen met een eenzijdige gebondenheid van één van partijen en ook daar komt door de enkele verUaring van de andere een voUedige wederkeerige overeenkomst tot stand. In al deze gevallen is de (voorafgaande) eenzijdige gebondenheid te beschouwen als de gebondenheid uit een onherroepehjke offerte *.

2) Welk karakter draagt nu het V. A., als de aanbieder reeds gebonden is, wanneer hij de „acceptatie" van de wederpartij niet omniddelhjk afwijst? Tweeërlei opvatting is hier 1 Zie boven, blz. 103.

• Zie vooral Goudeket, Afspraken, enz. (1906), Hoofdstuk III.

Sluiten