Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

137

echter jririchsch absoluut geen beteekenis. Er is geen denken aan, dat de aanbieder nu ook vrij zou wezen ten opzichte van den inhoud van zijn offerte, of dat, wanneer hij de acceptatie van de wederpartij uitdrukkelijk zou hebben aanvaard, nog maar een vrijbhjvend contract en geen vaste overeenkomst zou zijn tot stand gekomen. De verkooper, die zich slechts vrijblijvend tot levering wil verbinden, moet dit duidelijk en klaar te kennen geven; een clausule als „steeds-" of „uiterst vrijbhjvend" enkel in het aanbod is daartoe onvoldoende \ Degene, die onder dergelijke condities aanbiedt, verbeelde zich dus niet, dat hij zich nu van alles kan afmaken. Rechtens staat hij volkomen gelijk met hem, die een gewoon vrijbhjvend aanbod doet.

In de praktijk komt veel voor de combinatie: „vrijblijvend tusschentijdsche verkoop voorbehouden" *. Men zou kunnen denken, dat de aanbieder, die een dergelijke offerte doet, alleen dan de acceptatie van de hand kan wijzen, wanneer hij de waar intusschen aan een ander heeft verkocht. Ofwel, dat de aanbieder niet slechts het recht heeft de heele overeenkomst te laten mislukken, maar ook bevoegd is een gedeelte van de aangeboden partij aan een ander te verkoopen en den eersten gegadigde tot afname van de rest te verplichten. Geen van beide is het geval; er is noch een beperking, noch een versterking van de V.-clausule aanwezig. De toevoeging „tusschentijdsche verkoop voorbehouden" staat hier geheel pleonastisch en de combinatie „vrijbhjvend-tusschentijdsche verkoop voorbehouden" beteekent precies hetzelfde als „vrijbhjvend" zonder meer. In Duitschland is dit uitdrukkehjk uitgemaakt door het OLG. Dresden in zijn beslissing van 4 Juli 1917 en sindsdien constante rechtspraak geworden*. Hetzelfde wordt in onze rechtspraak 4 stilzwijgend aangenomen: of werkelijk een tusschentijdsche verkoop heeft plaats gehad, is onverschillig.

1 Vgl. RG. 3 Juni 1921.

2 Over het beding „tusschentijdsche verkoop voorbehouden" zonder meer zal in Afdeeling II gehandeld worden.

* bv. OLG. Königsberg 18 Jan. 1921; OLG. Dresden 14 April 1921. Evenzoo Lieske in de „Deutsche Tiefbauzeitung" van 6 April 1921, S. 106. « Vgl. Rb. A'dam 2e Kamer 7 Maart 1919. Zie verder: Rb. A'dam 6 Jan. 1911 en HR. 24 Jan. 1924.

Sluiten