Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

157

waren, nu het uitvoerige bevestigingsschrijven alleen sprak van een toeslag van 10 % en 20 %. Het RG. sluit zich daarbij aan. „Derartige Bestatigungsschreiben haben den Zweck, das Vereinbarte zweifelsfrei und endgültig festzulegen. Allgemeine Bedingungen und Aeuszerungen bei Vorbesprechungen sind deshalb erledigt, wenn man in einem ausführlichen Bestatigungsschreiben nicht auf sie Bezug genommen hat". Ook hierin is het RG. het met het OLG. eens, dat, wanneer het beding V. zich bevindt in aanbiedingen, prijscouranten, e. d., daaraan in den regel geen andere beteekenis is toe te kennen als dat de leverancier aan de prijzen, waartegen hij aanbiedt, niet vast gebonden wil zijn, maar zich voorbehoudt, of hij een bestelling tegen deze prijzen al of niet wil aannemen. „Hat er die Bestellung aber angenommen, so hat die Klausel im Zweifel keine weitere Bedeutung mehr."

Tenslotte vestig ik nog de aandacht op een arrest van den derden Senat van 3 Juni 1921 % waarin werd uitgemaakt, dat ondanks de bij de onderhandelingen gebezigde clausules „uiterst V." en „steeds V." toch door het zwijgen van verkoopster op de acceptatie een vaste overeenkomst was tot stand gekomen, waaraan deze zich maar niet zonder meer mocht onttrekken. De uitdrukking „uiterst V." of „steeds V." beteekent op zichzelf niet, dat de aanbieder ook na het aangaan der overeenkomst nog vrij wil blijven. Daarvoor is zij te onbepaald; zoo iets moet op ondubbelzinniger wijze worden kenbaar gemaakt2.

De rechtspraak van het RG. laat zich dus als volgt resumeeren. Wanneer het beding V. wel in de offerte voorkomt, maar bij het aangaan der overeenkomst, niet meer ter sprake is gebracht, moet men als regel .aannemen, dat het beding alleen op de offerte betrekküig heeft en met het tot stand komen der overeenkomst zijn beteekenis heeft verloren. Het-

1 met noot van Hachenburg in JW. 1921, S. 1234 N. 10. • Zie verder: RG. VII 7 Maart 1922, JW. 1922, S. 1319 Nr. 5; RG. VII 7 Juli 1922, L. Z. 1922, 680 Nr. 2; RG. VII 12 Dec. 1922; L. Z. 1923, 272; en uit de lagere rechtspraak: OLG. Breslau 28 Sept. 1920 en vooral OLG. Augsburg 11 Nov. 1920, met noot van Hachenburg in JW. 1921, S. 173 N. 1.

Sluiten