Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

35

komst, vestiging en verblijf in dc binnenlanden, omdat zij gesteund werden door hunne schatrijke hoofden, meestal gouvernementspachters, die de inlandsche hoofden omkochten waar zij konden.

Het binnenland toch moest voor hunne zendelingen open blijven, want daar was de bron voor hun fortuin.

Dat de Chinees onder iederen vorm voet in de binnenlanden houden wilde, om daar zijn kwade praktijken ten koste van den Javaan uit te oefenen, bewijst de dikwijls fabelachtige som, waarvoor hij transporten* die van gouvernementswege uitbesteed werden, aannam.1)

De feitelijke toestand was derhalve met de wettelijke voorschriften in het geheel niet in overeenstemming. De vraag of vreemde Oosterlingen zich vrijelijk op particuliere landerijen mogen vestigen is in dit hoofdstuk onder „Inlanders" besproken.

Europeanen.

Door het bepaalde in Stb. 1818 No. 60 hadden ook de Europeanen een groote vrijheid van wonen. Werd een akte van vestiging verkregen, dan moest die ter plaatse alwaar de nieuwe ingezetene zich wenschte neder te zetten worden geregistreerd. Hij was daarbij gehouden in handen van het plaatselijk bestuur af te leggen den eed van trouw aan den Koning, aan den Gouverneur-Generaal en gehoorzaamheid aan de wetten en reglementen.

Wat er moest gebeuren, wanneer dit werd verzuimd, was in deze bepalingen niet aangegeven.

Ten gevolge der onbelemmerde vrijheden door deze regelingen ontstaan voor de op Java metterwoon toegelaten personen, had de Europeesche kolonisatie op Java eene aanmerkelijke uitbreiding ondergaan, zóó zelfs, dat Nederlanders zoo wel als vreemdelingen, niet alleen tot in de binnenste gedeelten van dat eiland waren doorgedrongen, maar zelfs aldaar handelsetablissementen hadden gevestigd en pakhuizen opgericht, waarvan sommige op plaatsen gelegen buiten het dadelijk toezicht der plaatselijke autoriteit. a)

Behalve hen die een vergunning tot vestiging kregen, kende deze publicatie nog eene categorie van personen, aan wie een acte van

*) Ind. Gen. 1889 blz. 252.

») T. v. N. I. 4e jg. Ie dl. blz. 52.

Sluiten