Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

40

maatregelen van voorziening voor te stellen in de gevallen waar dit voor de openbare rust en orde noodig voorkwam.

Voor de Europeanen onderging de woonvrijheid, welke was gegarandeerd in Stb. 1818 no. 60, eene beperking bij publicatie van den Gouverneur-Generaal in rade van 9 Januari 1821 (Stb. 1821 no. 6). Bij die regeling toch werd het van toen af aan Europeesche ingezetenen verboden zonder schriftelijke vergunning van den resident van de Preanger-Regentschappen in of op dat gewest handel te drijven of zich aldaar op te houden. x)

Uitdrukkelijk werden hiervan uitgezonderd de bezitters van aldaar gelegen landgoederen, die bij voortduring op dezelve hun verblijf mochten blijven vestigen.

Het slot van dit voorschrift bevatte de strafbedreiging tegen de overtreding daarvan.

Wat de wettigheid dezer verordening, tot stand gekomen bjj publicatie van den Gouverneur-Generaal in rade en wijzigende de bepalingen in Stb. 1818 no. 60, vastgesteld bij publicatie van den Commissaris-Generaal, betreft, mag verwezen worden naar hetgeen zoo even over de publicatie in Stb. 1823 no. 20 werd opgemerkt.

Dit woonverbod voor Europeanen in de Preanger-Regentschappen, werd bij besluit van den Gouverneur-Generaal van 26 April 1853 (Stb. 1853 no. 34) in zoo verre verzacht, dat aan den resident van dat gewest de bevoegdheid werd toegekend, om aan Europeesche ingezetenen het verblijf toe te staan op de drie hoofdplaatsen dier residentie : Tjiandjoer, Bandoeng en Soemedang. 2) Zoo

*) Bij Jongmans wordt de onderstelling geuit, dat deze verordening alleen van toepassing zou zijn op handelaren (blz. 11), m.i. is die meening echter niet de juiste.

a) Deze verordening kan op twee wijzen worden opgevat:

lo. Volgens Stb. 1821 no. 6 kan de resident der Preanger-Regentschappen aan Europeanen vergunnen zich aldaar op te houden; bij Stb. 1863 no. 34 krijgt hij de bevoegdheid om aan Europeanen het vaste verblijf (wonen) toe te staan op 3 plaatsen.

2o. Onder „op te houden" in Stb. 1821 no. 6 moet ook „wonen" worden begrepen; bij Stb. 1853 no. 34 wordt aan den resident de bevoegdheid gegeven om aan Europeanen „in het algemeen" toe te staan zich op die drie plaatsen te vestigen. Alsdan heeft men voor de vestiging op die drie plaatsen geen afzonderlijke vergunning meer noodig.

Sluiten