Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

77

Oosterlingen buiten de betrokken wijk, d.i. buiten de wijk op de plaats van aankomst.

Weigerde het Hoofd van plaatselijk bestuur deze vergunning, dan moest hij onder vermelding van redenen daarvan kennis geven aan het Hoofd van gewestelijk bestuur. Vestigde een toegelaten vreemde Oosterling zich zonder bekomen vergunning toch buiten zijn wijk, dan verbeurde hij een boete van f 25.— tot f 100.—.

Omtrent de gewesten Soerakarta, Djokjakarta en Madoera was bepaald, dat de toenmaals bestaande bepalingen betreffende de toelating en vestiging van vreemde Oosterlingen voor die streken gehandhaafd bleven, en dat de hoofden van gewestelijk bestuur in die ressorten niettemin bevoegd zouden zijn om aan vreemde Oosterlingen, die reeds in het bezit waren van eene vergunning tot inwoning, toe te staan, zich in het belang van handel en nijverheid op de hoofdplaatsen dier gewesten, of waar elders eenige wijk ter hunner bewoning mocht zijn aangewezen, te vestigen. Het Hoofd van gewestelijk bestuur, door wien zoodanige vergunningen geweigerd werd, had onder vermelding van redenen, hiervan mededeeling te doen aan den Gouverneur-Generaal. De bepalingen dier verordening waren ten slotte niet van toepassing op vreemde Oosterlingen, die ingevolge de tractaten op den voet der meest begunstigde natie in Nederlandsch-Indië moesten worden toegelaten. x)

Aldus golden voor deze personen ook niet de even aangehaalde voorschriften betreffende de vestiging in wijken. Voor hen, die tot den landaard van een meest begunstigde natie behoorden, en die niet krachtens bekomen vergunning tot inwoning ingezetenen waren geworden van Nederlandsch-Indië, doch die ingezetenschap hadden door hun geboorte, gold evengenoemde uitzondering in Stb. 1866 no. 56 niet.

Voor deze heden was Stb. 1866 no. 57 van kracht en waren zij derhalve ook niet bevoegd om buiten de wijken te wonen.

Zoo zou b.v. een Marokkaan het ingezetenschap verworven hebbende door eene vergunning tot inwoning buiten de wijk voor Arabieren en andere vreemde Oosterlingen mogen wonen, terwijl zijn op Java geboren zoon binnen die wijk zou moeten wonen.

Zoo b.v. het tractaat met Siam (Stb. 1863.no. 20), Perzië (Stb. 1858 no. 70), Marokko (Stb. 1859 no. 49), Turkije (Ned. Stb. 1862 no. 124) en het Londensch tractaat (Stb. 1825 no. 19).

Sluiten