Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

91

Europeanen.

Bij den aanvang van deze periode was het woonrecht op Java voor Europeanen nog steeds geregeld door de publicatie van de Commissarissen-Generaal van 28 Augustus 1818 (Stb. 1818 no. 60), zooals die was gewijzigd bij publicatie van den Commissaris-Generaal van 10 Januari 1834 (Stb. 1834 no. 3).

Het regeeringsreglement had, zooals in hoofdstuk I is opgemerkt, daar niet alleen geen wijziging in gebracht, doch noemde, in afwijking met hetgeen daaromtrent voor vreemde Oosterlingen werd bepaald x), zelfs met geen.woord het recht van wonen der in Indië gevestigde en toegelaten Europeanen.

Ook in de bij de behandeling van dat staatstuk gewisselde stukken evenmin als bij de gevoerde beraadslagingen, is het woonrecht voor Europeanen besproken geworden.

Het woonrecht voor Europeanen werd opnieuw geregeld bij koninklijk besluit van 27 October 1860 (Stb. 1861 no. 40) jo. de ordonnantie van 29 Mei 1861 (Stb. 1861 no. 41).

Daarbij werden vervallen verklaard alle vroegere bepalingen omtrent het verbhjf in Nederlandsch-Indië van Europeanen, voor zoover zij bij die verordening zelve niet mttlrukkelijk werden gehandhaafd. Aldus werd door dezen maatregel Stb. 1818 no. 60 jo. Stb. 1834 no. 3 voor Europeanen gedeeltelijk buitenwerking gesteld.

Deze nieuwe voorschriften nu, geldende voor geheel Nederlandsch-Indië, maakten onderscheid in personen die een vergunning tot inwoning bekwamen; verder werd verschil gemaakt tusschen Nederlanders eenerzijds en andere Europeanen en daarmee gelijkgestelden anderzijds.

Nederlanders zoowel als andere Europeanen en met hen gelijkgestelden, toegelaten zijnde, mochten zich alleen vestigen in de voor den algemeenen handel geopende havens.

Nederlanders, aan wie een vergunning tot inwoning was verleend, en ook de nieuwelingen, die geen vergunning tot vestiging noodig hadden, mochten zich vestigen overal, waar een gouverneur, resident of assistent-resident woonachtig was.

*) Bk. 67.

Sluiten