Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

92

Wilde zoo iemand zich elders vestigen, dan was daartoe een bijzondere vergunning van den hoogsten gewestelijken gezaghebber vereischt, tenzij de Gouverneur-Generaal zelf die vergunning verleende. Weigerde een hoogste gewestelijke gezaghebber deze vergunning te verleenen, dan moest hij de weigering met redenen bekleeden.

De betrokkene kon dan van die weigering bij den GouverneurGeneraal in hooger beroep gaan; werd die afwijzing bekrachtigd, dan was deze ook verbindend voor de opvolgers der gezaghebbers, van wie de oorspronkelijke weigering was uitgegaan.

Op een vraag door een der Hoofden van gewestelijk bestuur gedaan, omtrent de meer of minder vrijgevige wijze, waarop deze vergunningen behoorden te worden verleend, antwoordde de regeering, dat op dit punt geene algemeene voorschriften konden worden gegeven, maar dat voor de inwilhging of weigering der verzoeken om zoodanige vergunning te erlangen, zoowel de plaats der vestiging en de individualiteit der adressanten als het belang der algemeene rust en dat der inlandsche bevolking van invloed moesten zijn, weshalve ook elk verzoek van die strekking aan de omstandigheden hoorde te worden getoetst.

Bij de mededeeling hiervan aan de verschillende hoofden van gewestelijk bestuur werden deze tevens uitgenoodigd, om in geval van het niet verleenen eener gevraagde nadere vergunning tot vestiging, van hunne weigering omstandig verslag te doen aan den Gouverneur-Generaal

Uitdrukkelijk werd hierop evenwel uitzondering gemaakt ten aanzien der residentiën Djokjakarta, Soerakarta en Madoera, waarvoor de toenmaals geldende bijzondere bepalingen van toepassing zouden blijven.

Europeanen en daarmee gelijkgestelden.geenNederlanders zijnde, een vergunning tot inwoning bekomen hebbende, mochten zich alleen vestigen in de voor den algemeenen handel geopende havens. Wilden zij elders gaan wonen, dan was daartoe de vergumiing noodig van den Gouverneur-Generaal, terwijl hij in het belang der openbare orde deze toestemming ten allen tijde kon intrekken. Het wonen van vreemde Westerlingen was dus wel bijzonder

l) K. V. 1862, blz. 63.

Sluiten