Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

96

haven, weshalve zij bij ordonnantie in Stb. 1870 no. 79 werden ingetrokken1).

Bij komnkhjk besluit van 15 September 1871 (Stb. 1872 no. 38) jo. het gouvernementsbesluit van 12 Maart 1872 (Stb. 1872 no. 39) werd het woonrecht voor Nederlanders, andere Europeanen en daarmee gelijkgestelden opnieuw geregeld. Deze bepalingen onderscheiden nog in personen die toegelaten werden, en zij die eene vergunning tot vestiging of inwoning bekwamen.

Afzonderhjke voorschriften voor Nederlanders eenerzijds, en andere Europeanen anderzijds kwamen echter niet meer voor. Was iemand toegelaten, dan mocht hij zich ophouden in den voor den algemeenen handel geopende havens, en tevens op de plaatsen, of in de streken, na opgave door den betrokkene op zijn toelatingskaart te vermelden.

Bhjkbaar kon hem bij aanvraag het verbhjf in eenige stad of streek niet worden geweigerd, zoodat zn"n woonrecht aanzienlijk werd uitgebreid. Wanneer zoo iemand werd aangetroffen elders dan hem was vergund, dan werd zijn toelatingskaart door het hoofd van gewestelijk bestuur ingetrokken.

Zij die een vergunning tot vestiging in Nederlandsch-Dadië hadden bekomen, alsmede die categorieën van personen, die om zich te mogen vestigen geen vergunning noodig hadden, mochten zich vestigen waar zij wilden.

Zij kregen dus de woonvrijheid.

Bepaaldelijk werd ook hier voorbehoud gemaakt voor de bijzondere bepalingen, welke ten deze golden in die gedeelten van Nederlandsch-Indië, waar het recht van zelfbestuur aan de inlandsche vorsten en volken was gelaten.

Omtrent het recht tot wonen van hen die ingezetenen van Nederlandsch-Indië waren krachtens geboorte, werd ook hier niets bepaald.

De regeering had daaromtrent haar standpunt reeds bekend gemaakt in B. B. 2073.

Omstreeks 1880 meende de Dadische regeering het noodzakelijk, onderzoek te doen instellen naar het aantal en het gehalte der in de binnenlanden van Java gevestigde Europeanen, ook met het oog

*) Blz. 99.

Sluiten