Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

99

Werd een Chinees, ingezetene van Nederlandsch-Indië zijnde, in Soerakarta of Djokjakarta aangetroffen, zonder in het bezit te zijn van een geldigen reispas en zonder in dat gewest gevestigd te zijn, dan werd hij gestraft met een geldboete van zes en twintig tot zestig gulden, of met ten arbeidstelling aan de publieke werken voor den kost zonder loon van dertien tot twintig dagen. Na zijn straf ondergaan te hebben, werd zoo iemand daarna uit het gewest verwijderd.

Europeanen.

Aan het slot van deze paragraaf in het vorige hoofdstuk *), werd aangeteekend, dat bijzondere voorschriften golden voor het verbhjf van Europeanen in de Vorstenlandena). Deze bepaalde regelen werden bij koninkhjk besluit van 27 October 1860 (Stb. 1861 no. 40) uitdrukkelijk gehandhaafd.

Korten tijd daarna werd een onderzoek ingesteld, in /hoeverre de evengenoemde bepalingen, eventueel wijziging wenschehjk maakten van de bijzondere voorschriften voor de Vorstenlanden geldend.

Het resultaat van dit onderzoek was, dat de Hoofden der gewesten Soerakarta en Djokjakarta tot het besluit kwamen, dat voorloopig van wijziging dier bepalingen kon worden afgezien (B. B. 1123). In 1870 echter wilde men den uitzonderingstoestand voor deze residenties doen ophouden.

Daartoe werd bij ordonnantie in Stb. 1870 no. 79 het model B. (vergunning tot vestiging in Nederlandsch-Indië) — opgenomen in Stb. 1861 no. 41 — gewijzigd, zoodat voortaan de Europeanen, die vergunning tot inwoning in Indië hadden bekomen, zich ook vrijelijk konden vestigen in de Vorstenlanden.

Eigenaardig is, dat men bij die gelegenheid artikel 10 in Stb. 1861 no. 40 onveranderd liet.

Sedert gelden de algemeene bepalingen op het wonen van Europeanen op Java en Madoera ook voor de Vorstenlanden.

x) Blz. 45.

2) Dat voor Europeanen een bijzondere vergunning van den Gouverneur-Generaal noodig was om zich te mogen vestigen in de Vorstenlanden, blijkt o.a. uit het gouvernementsbesluit van 7 September 1861 (B.B. 1112.)

Sluiten