Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

106

Buitengewesten — mocht vestigen, waar gelegenheid bestond hem te bewaken, te beschermen.

Bij koninklijk besluit van 27 October 1860 (Stb. 1861 no. 40) jo. de ordonnantie van 29 Mei 1861 (Stb. 1861 no. 41) kwam ten deze de eerste centrale regeling tot stand.

Deze verordening gaf voor de Buitengewesten dezelfde voorschriften als voor Java en Madoera, zoodat voor de beschrijving van het woonrecht van de Europeanen in dien tijd aldaar gevestigd, mag worden verwezen naar hetgeen daaromtrent voor Java *) werd medegedeeld.

Hetzelfde kan gezegd worden van het koninkhjk besluit van 15 September 1871 (Stb. 1872 no. 38) jo. het gouvernementsbesluit van 12 Maart 1872 (Stb. 1872 no. 39).

Voor Groot-Atjeh was deze regeling niet van toepassing. Op de wenschehjkheid om ook voor dat gebied ter zake eene regeling te treffen werd omstreeks 1875 de aandacht gevestigd.

Zoolang die verordening niet tot stand kwam, werd door den mihtairen tevens civielen bevelhebber als beginsel gevolgd, om Europeanen en met dezen gelijkgestelden, uit andere gedeelten van Nederlandsch-Indië aankomende, ter inwoning in het gewest toe te laten eenvoudig op aanmelding van hun persoon, en om van de zoodanigen, die uit den vreemde in Atjeh aankwamen, slechts de overlegging te vorderen van een pas, afgegeven door den betrokken Nederlandschen Consul 2). Deze informeele regeling zal ook wel hebben bepaald, dat zij die vergunning verkregen om in Atjeh te wonen, zich aUeen mochten vestigen op plaatsen waar zij veilig waren.

§11. Zelfbestuursgebied.

bilanders, Vreemde Oosterlingen en Europeanen.

Om een onderzoek te kunnen instellen naar het woonrecht in het zelfbestuurd gebied,8) is het noodzakehjk eerst na te gaan wat daaromtrent in de pohtieke contracten werd opgenomen.

Waren die vóór 1857 vrijwel onbereikbaar, noch volledig te

') Blz. 91.

*) K. V. 1877, blz. 74. ») Spit, blz. 15 e.v.

Sluiten