Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

113

onderzoek omtrent hem instelde. Zoo daartegen geen bezwaren bestonden, reikte dat Hoofd aan den aangehoudene eenen pas uit tot voortzetting der reis. In het tegenovergestelde geval werd de aangehoudene teruggevoerd naar de plaats waar hij, blijkens zijn verjaarden pas of bij gemis aan een pas, volgens zijne verklaring thuisbehoorde.

Daar die strafbedreiging niet volledig was, werd bij ordonnantie van 27 Juli 1870 (Stb. 1870 no. 88) alsnog bepaald :

a. dat zij, die vervielen in bovenstaande boete bij wanbetaling werden gestraft met gevangenisstraf acht dagen niet te boven gaande,

b. dat zij, die verzuimden hun pas zooals voorgeschreven ter viseering aan te bieden, zouden worden gestraft met een geldboete van ten hoogste f 10, bij wanbetaling te vervangen door gevangenisstraf van ten hoogste drie dagen.

• Het was aan de regeering intusschen gebleken, dat reispassen aan Inlanders en vreemde Oosterlingen herhaaldehjk werden uitgereikt niet overeenkomstig de vastgestelde modellen en ook wel werden afgegeven door personen daartoe niet bevoegd.

Aangemaand werd zulks niet meer te doen voorkomen, waarbij er op werd gewezen, dat dergelijke passen in rechte niet als zoodanig waren aan te merken (B. B. 5571).

Over het reizen van hen, die Java metterwoon verheten, werd in de aangehaalde verordening niet gesproken.

Voor die gevallen bleef dus van kracht het bepaalde in de artikelen 19—22 opgenomen in Stb. 1818 no. 60, en moesten zulke personen zich van eenen pas voorzien, ook na de mwerkingtreding van Stb. 1863 no. 83.

Ook voor deze bevolkingsgroep werd die belemmering van het reizen weggenomen bij de nader te bespreken1) verordening in Stb. 1866 no. 28.

Hierbij zij nog opgemerkt^ dat niet alleen de artikelen 19—22 van het Stb. 1818 no. 60 bij die gelegenheid kwamen te vervallen, doch dat tegelijkertijd alle daarmee samenhangende voorschriften ophielden van kracht te zijn.

Omdat de strekking van de verordening in Stb. 1866 no. 28

*) Blz. 131.

8

Sluiten