Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

167

Onbegrijpelijk is daarom een opmerking in het K. V. dat voor de residentie Riouw en onderhoorigheden van eene regeling van het reizen werd afgezien, omdat het invoeren en handhaven aldaar van een passenstelsel niet wel mogelijk werd geacht. *)

Waren alle binnenlandsche reispassen voor Inlanders en met hen gelijkgestelden oorspronkelijk kosteloos afgegeven, door wijziging van de zegelordonnantie moesten zij sedert 1894 geschreven worden op een zegel van 10 cent (Stb. 1894 no. 280.)

Europeanen.

Was in de eerste helft der vorige eeuw ook het reisrecht van Europeanen in de Buitengewesten door het centrale gezag niet geregeld,2) in verband met de meerdere beteekems, welke die ressorten allengs hadden verkregen werden zij evenwel in de nieuwe reisiegeling, welke bij Stb. 1861 no. 40 tot stand kwam, naast Java en Madoera opgenomen.

In het algemeen werd toen tusscben Java en Madoera en de Buitengewesten geen verschil meer gemaakt, zoodat voor wat het reizen van Europeanen op de Buitengewesten betreft kan worden verwezen naar hetgeen omtrent het reizen van die bevolkingsgroep op Java en Madoera hiervoor 8) werd opgeteekend.

Kon voor Java en Madoera aan hen, die aldaar aankwamen met het doel om te reizen, sedert 1861 door den Gouverneur-Generaal daartoe eene vergunning worden verleend, op de Buitengewesten waren de Hoofden van gewestelijk bestuur bevoegd dergelijke vergunningen af te geven.

We zagen reeds dat door het bepaalde in Stb. 1872 no. 38 o. a. deze bijzondere reisvergunningen niet meer werden afgegeven, doch dat voortaan aan toegelaten Europeanen eene kostelooze vergunning tot reizen kon worden verstrekt, geldend voor ten hoogste twee jaren.

Moest dit op Java en Madoera geschieden door den GouverneurGeneraal, buiten die eilanden zou dit plaats hebben door den hoogsten gewestelijken gezagvoerder.

Deze gezaghebbers hadden dezelfde bevoegdheid tot intrekking

!) K. V. 1870, blz. 39. *) Blz. 64. 3) Blz. 130.

Sluiten