Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

177

hadden bekomen van het Hoofd van gewestelijk bestuur, zich met hun gezinnen buiten die bepaalde plaatsen vestigen. Die vergunning werd verleend schriftelijk en tot wederopzeggens en werd uitgereikt in het belang van land- en mijnbouw, handel of nijverheid, dan wel om redenen van openbaar belang of uit hoofde van bijzondere redenen. Voorwaarden konden daaraan verbonden worden als het gewestelijk bestuurshoofd noodzakelijk zou oordeelen. De instelliug van wijken zou geschieden bij verordening van den gemeenteraad, of, waar deze niet ingesteld was, door den gewestelijken raad. De Vorstenlanden werden ook hiervan uitgezonderd.

Het wonen buiten de wijk van hun landaard werd geoorloofd aan:

le. hen, die op het tijdstip van de afkondiging der ordonnantie buiten de voor hun landaard aangewezen wijk woonden, of daartoe, krachtens eene vergunning als bedoeld in artikel 2 of 4 van het bepaalde in Stb. 1866 no. 57, het recht hadden,

2e. hen, die gevestigd waren buiten de ter plaatse voor hun landaard bestemde wijk, aangewezen na de inwerkingtreding der verordening,

3e. hen, die, gevestigd binnen de ter plaatse voor hun landaard aangewezen wijk, door wijziging harer grenzen daarbuiten zijn komen te wonen,

4e. hen, aan wie in het belang van land- of mijnbouw, handel en nijverheid dan wel om redenen van openbaar belang of uit hoofde van bijzondere redenen ter beoordeeling door hetHoofd van plaatselijk bestuur — onder hooger beroep bij het Hoofd van gewesteljjk bestuur, — door eerstgenoemd bestuurshoofd een schriftelijke en tot wederopzeggens te verleenen vergunning is gegeven om, onder de c.q. daarbij omschreven voorwaarden, buiten de voor hun landaard aangewezen wijk te wonen. De vrijheid, hierboven omschreven, werd mede genoten door de gezinnen van de betrokken personen, terwijl de vrijstellingen onder 1 t/m. 3 evengenoemd ook golden voor hun afstammelingen en rechtverkrijgenden bij versterf.

Vestigde iemand zich ergens in strijd met het bovenstaande, dan werd hij gestraft met geldboete van f 25 tot f 100, bij herhaling van het strafbaar feit te verhoogen tot ten arbeidstelling van een tot drie maanden. Bij veroordeelend vonnis, zou tevens ontruiming van het bewoond perceel binnen één maand gelast worden, bij niet-

12

Sluiten