Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

199

Vooreerst moest nu de aanvrager te goeder naam en faam bekend staan, kon de vergunning worden verleend en kon de vergunning worden ingetrokken alles ter beoordeeling van het Hoofd van gewestekjk bestuur, die, zonder in zijn oordeel aan eenigen maatstaf gebonden te zijn, kon handelen naar eigen inzicht.

Beroep was niet mogelijk.

Te veel werd dus aan het inzicht der uitvoerders van deze bepalingen overgelaten waardoor het mogelijk was dat aan de betrokkenen niet die vrijheid van beweging werd gegeven, welke de regeering hun bedoelde toe te kennen.

Verder betrof die grootere vrijheid maar eenige bepaalde reizen en was de vergunning slechts voor ten hoogste één jaar geldig, zoodat na korten tijd de verkregen rechten kwamen te vervallen.

Hiervoor werd reeds opgemerkt, dat zelfs hoofden van vreemde Oosterlingen onderworpen waren aan het op wantrouwen berustende passenstelsel. Bij ordonnantie van 4 Maart 1908 (Stb. 1908 no. 208) jo. die van 4 Juni 1908 (Stb. 1908 no. 396) geldend voor heel Nederlandsch-Indië, werd de grief weggenomen.

Bepaald werd, dat de met betrekking tot door vreemde Oosterlingen te ondernemen reizen uitgevaardigde of nog uit te vaardigen beperkende bepalingen niet toepasselijk zouden zijn op :

le. de door de regeering aangestelde hoofden van vreemde Oosterlingen, zoowel zij die in werkehjken dienst zijn, als zij die met een titulairen rang bekleed zijn;

2e. hen, die als Chineesche of Inlandsche leden aan de weeskamer te Batavia, dan wel aan een der wees- en boedelkamers in Nederlandsch-Indië zijn verbonden, en op de eervol uit 's landsdienst ontslagen titularissen als bovenbedoeld,

3e. vreemde Oosterlingen, leden of gewezen leden zijnde van een localen raad, met uitzondering van hen, die van hun lidmaatschap werden ontheven ingevolge het bepaalde bij het 4e lid, onder d, e en ƒ van artikel 7 van het decentralisatiebesluit (Stb. 1905 no. 137).

Enkele jaren later (ordonnantie in Stb. 1910 no. 538) werden aan deze categorieën van vrijgestelden nog eenige andere groepen toegevoegd. Vooreerst werden nu ook de hoofden onder sub 1 genoemd, ook na hun eervol ontslag of ontheffing vrijgesteld, en werd vervolgens bepaald, dat te goeder naam en faam bekend staande vreemde Oosterlingen, die, naar het oordeel van het Hoofd

Sluiten