Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

202

Werd het viseeren voor landpassen bij deze verordening afgeschaft, zulks geschiedde niet voor zeepassen.

Deze moesten geviseerd worden in de afdeeling waar de reiziger zich inscheepte^zoo hij elders een pas had verkregen, op de gedurende de reis buiten Java en Madoera bezochte plaatsen, waar langer dan drie etmalen werd vertoefd, en op de plaats van bestemming, binnen 24 uren na aankomst.

De Hoofden van gewestebjk bestuur hadden ieder voor hun ressort den met dit viseeren belasten ambtenaar, aan te wijzen.

Uitgezonderd werden hierop de reizen naar door den GouverneurGeneraal aan te wijzen gewesten, ten opzichte waarvan de toepassing van genoemde artikelen met het oog op het druk verkeer aan overwegende bezwaren onderhevig was1).

Zij die het bepaalde ten aanzien van een verpüchten pas hetzij land-, hetzij zeepas overschreden, werden gestraft met een geldboete van f 25 tot f 50.—. Het op aanvrage niet vertoonen van een pas, het niet doen viseeren van een pas en het verblijven in eene afdeeling langer dan geoorloofd was, werd gestraft met een geldboete van

f 1 tot f 25.—. [ ,

Wat er na het ondergaan van deze straf met de overtreders moest gebeuren werd hier niet aangegeven.

Maakte iemand gebruik van een ten behoeve van een aan een ander persoon uitgereikten reispas, reiskaart of zeepas, zonder daardoor de misdrijven te plegen, als bedoeld zijn in de artikelen 106 en 107 van het wetboek van strafrecht voor Inlanders, dan werd hij gestraft met ten arbeiclstelling aan de pubüeke werken voor den kost zonder loon van een tot drie maanden.

Was in deze regelen de mogelijkheid vervat dat vreemde Oosterlingen op het gebied van reizen grootere vrijheid zouden gemeten, de bewoordingen van deze verordening waren evenwel met zoo, dat die vrijheid verzekerd was.

Zeer veel werd daarin aan het persoonhjk oordeel van den plaatsehjken ambtenaar overgelaten.

Dat ook de regeering zulks als een gevaar aanvoelde bleek duidelijk uit B. B. 7361. _ ^» , I Daarbij gaf zij te kennen, dat zij aan de vreemde Oosterlingen

i) 0.a. voor reizen van Inlanders en vreemde Oosterlingen van uit Bantam naar de Lampongsche distrieten. (B.B. 7576).

Sluiten