Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

209

vloeiende, daarvoor bleven bij deze nieuwe voorschriften dezelfde regelen gelden, welke voordien daaromtrent bestonden.

De mogelijkheid werd opengesteld om op Inlanders en vreemde Oosterlingen, werkzaam op zekere ondernemingen, deze bepalingen, welke bij ordonnantie in Stb. 1904 no. 250 nader werden vastgesteld, niet van toepassing te verklaren.

Voor de beschrijving van een dergehjk geval mag verwezen worden naar de noot aan den voet van blz. 152.

Een volgende wijziging van den beschreven toestand kwam tot stand bij ordonnantie in Stb. 1906 no. 487 en betrof de Zuider- en Ooster-afdeeling van Borneo. Was het voordien aldaar aan Inlanders behoorende tot de inheemsche bevolking van dat gewest en gevestigd binnen het gebied van zekere met name genoemde afdeelingen, geoorloofd, om binnen die gebieden over land te reizen zonder pas, bij de aangehaalde nieuwe verordening kregen de Inlanders, behoorende tot de inheemsche bevolking van die residentie, de bevoegdheid om, waar zij ook in dat gewest gevestigd waren, zonder pas te land te reizen binnen de onderafdeeling — of in de afdeeling, welke niet in onderafdeelingen verdeeld is — waar zij hunne woonplaats hadden. Iedere Inlander in Zuid-Oost-Borneo tehuis behoorende, had dus in de onderafdeeling (afdeeling) waar hij woonde, voortaan het recht om zonder pas overland te reizen. Deze heden konden zich ook onder de werking der nieuwe bepalingen, wanneer zij dat wilden, toch van een pas voorzien, welke nu niet alleen werd afgegeven door het Hoofd van gewestelijk of plaatselijk bestuur, doch ook namens hen door de districtshoofden daartoe speciaal gemachtigd. Voor reizen van deze Inlanders buiten het gebied der onderafdeeling (afdeeling) waar zij woonden, hetzij binnen, hetzij buiten de betrokken residentie, alsook voor zeereizen, bleef het gebruik van een pas verplicht; de afgifte dier passen werd evenwel vergemakkelijkt op gelijke wijze als dat geschiedde voor de vrijwillige passen.

Over zeereizen in de onderafdeeling alwaar de reiziger gevestigd was, werd niet gesproken, hetgeen een onvolledigheid is.

Ten aanzien van het reisrecht voor Inlanders, niet behoorende tot de inheemsche bevolking van Zuid-Oost-Borneo, en van de vreemde Oosterlingen veranderde niets van beteekenis.

14

Sluiten